Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Woordenlijst

 

NB: de in de teksten gecursiveerde termen (behalve de boektitels) hebben in dit register een eigen lemma.

A

 

a battuta: op de slag

 

Abgesang: afsluitend deel in de Bar-vorm; volgt op het Aufgesang, dat uit twee Stollen bestaat.

 

a cappella: voor koor alleen; instrumenten kunnen zangstemmen steunen; Bach schrijft er meestal een zelfstandige continuopartij bij.

 

accompagnato: lett. begeleid; in de praktijk: zangers worden begeleid door meer instrumenten dan alleen continuo.

 

Acrostichon (ook: naamdicht of lettervers): een gedicht waarvan de eerste letters van elke regel of strofe, achter elkaar gelezen, een naam of zinspreuk vormen; bv. de beginletters van de 15 coupletten van het Wilhelmus, die de naam WILLEM VAN NASSAU vormen; bij Bach in BWV 124, 150 en 1127.

 

adagio: langzaam, rustig tempo

 

adagio assai: zeer langzaam

 

akkoord: samenklank van drie of meer tonen 

 

akkoordisch: met een reeks akkoorden 

 

alla breve: maatsoort waarbij niet de kwartnoot maar de halve noot, de brevis, als teleenheid fungeert (brevis = kort)    

 

allegro: opgewekt, levendig

 

allemande: langzame dans in tweekwartsmaat

 

Alte Bachausgabe [BGA; Bach Gesellschaft Ausgabe]: eerste publicatie van alle Bachwerken door de (oude) Bach Gesellschaft (1851-1899). Vanaf 1954 verscheen Bachs complete werk opnieuw in de verbeterde Neue Bach Ausgabe.
                                
altsleutel: een C-sleutel die de lijn in een notenbalk bepaalt waarop de C is genoteerd, als altsleutel op de derde lijn.

 

ambitus: toonbereik; afstand tussen de laagste en de hoogste noot van een stem of instrument

 

anabasis: omhooglopende muzikale figuur

 

andante: gaande, langzaam

 

Anima / Vox Animae: stem van de geest, ook Seele (ziel) genoemd, meestal door de sopraan vertolkt

 

antifoon: vers ter inleiding op of afsluiting van een psalm of koraal

 

antifonaal: in wissel- of beurtzang

 

appoggiatura: lange voorslag

 

aria: expressief vocaal solostuk, voor één stem of voor enkele stemmen (duet, terzet), met instrumentale begeleiding

 

arioso : lett. aria-achtig; gezongen passage met meer begeleiding dan recitatief en minder dan aria

 

Arnstadt (Thüringen): Bach werkte er van 1703-1707 als organist en componeerde er zijn eerste orgelwerken. In deze periode vallen de veelbesproken ruzie met de student-fagottist Geyersbach en Bachs ongeoorloofd lange reis naar Buxtehude in Lübeck.

 

arpeggio: gebroken akkoord, waarbij de tonen niet tegelijk maar kort na elkaar worden gespeeld

 

attacca: lett. aanvallend; meteen inzetten

 

Aufgesang: twee Stollen, samen het eerste deel van de Bar-vorm, die worden gevolgd door het Abgesang.

 

Augenmusik: symbolisch notenbeeld, iets wat niet kan worden gehoord, alleen gezien (bv. zwarte noten op het woord 'nacht' of kruizen (##) bij kruisiging)


B

 

B-A-C-H: muzikale handtekening van Bach, uitgedrukt in de noten Bes, A, C, B (In het Duits heet onze Bes ‘B’ en de B ‘H’)

 

Bach-Gesellschaft Ausgabe [BGA]: eerste uitgave van de complete werken van Bach, tussen 1851 en 1899, door de 19e-eeuwse Bach Gesellschaft.

 

Bach Werke Verzeichnus [BWV]: nummeringssysteem voor de werken van J.S.Bach, in 1950 opgesteld door Wolfgang Schmieder; niet chronologisch maar volgens het type compositie

 

Barabbam-akkoord: een zeer onwelluidend dominant-septiemakkoord met een opeenstapeling van een interval van drie hele tonen, de diabolus in musica; door Bach gecomponeerd voor de Matthäus-Passion

 

bariolage: snelle afwisseling van tonen op diverse snaren van een strijkinstrument

 

Bar-vorm: tweemaal een tekstregelpaar op dezelfde melodie (Stollen), samen Aufgesang genoemd, gevolgd door enkele regels Abgesang met een andere melodie

 

Bassettchen: lett. kleine bas; surrogaat baslijntje in een hoger register, dat een basso continuo vervangt; Bach gebruikt deze bassettotechniek voor iets onbegrijpelijks of onschuldigs, om uit te drukken dat steun ontbreekt.

 

basso continuo: lett. doorlopende, continue bas, in de partituur bestaande uit een uitgeschreven baslijn (uit te voeren door cello, viola da gamba, violone, contrabas en/of fagot) en in cijfers genoteerde harmonieën voor een akkoordinstrument (clavecimbel, orgel of luit)

 

basso ostinato: steeds terugkerende figuur in de baspartij, met wisselend contrapunt

 

bataglia: lett. gevecht; strijdmuziek in snelle vierkwartsmaat

 

becijfering [becijferde bas]: systeem van cijfers die onder de uitgeschreven baslijn van de basso continuo de harmonieën aangeven voor akkoordinstrumenten

 

bezetting: aantallen en types uitvoerende stemmen en instrumenten

 

boog [-tremolo, -vibrato]: strijkstok

 

bourrée: snelle Franse dans in twee- of vierkwartsmaat

 

bravura: als zelfstandig naamwoord: technisch moeilijk stuk; als bijvoeglijk naamwoord: met bravoure

 

brevis: halve noot


C

 

cadens: serie afsluitende tonen of akkoorden

 

canon [canonisch]: stuk waarin de partijen na elkaar invallen met hetzelfde thema, en dat herhalen

 

cantate : lett. zangstuk; bij Bach: muziekwerk voor de kerkelijke eredienst als uitdrukking van het geloof; de cantate sloot aan bij de bijbellezingen en de preek van de betreffende zondag of kerkelijke feestdag, bestond uit koren, aria's en recitatieven en een slotkoraal, en duurde 20-25 minuten (soms langer, als ze uit twee delen bestond, uit te voeren voor en na de preek).

 

canticum [cantica]: kerkgezang, lofzang

 

cantus firmus: melodiestem in lange noten, waar andere stemmen in kleinere notenwaarden meestal onder en soms boven zijn geschreven

 

catabasis: dalende lijn

 

cavata [cavatine]: kort gezang

 

chaconne [ciacona]: 17e-eeuwse dans; kalme muziek in driekwartsmaat, die varieert op een steeds herhaalde basmelodie van vier of acht maten.

 

Chorton: ook orgeltoon of Kirchenton genoemd; van 16e tot 18e eeuw gebruikelijke hoge stemming van orgels, a'= tussen 450 en 465 Hz en tegenwoordig gemakshalve gestandaardiseerd op a’=465 HZ, een hele toon hoger dan de Cammerton. In het begin van zijn carrière schrijft de organist Bach zijn partituren zoals ze op het orgel moeten klinken, “im Chorton”; om de genoteerde klank te bereiken moeten “im Cammerton” gestemde blaasinstrumenten die in de partituur genoteerde partij dus transponeren naar een hogere toonsoort. Later, als kamermusicus in Weimar, componeert hij “im Cammerton”; vanaf dan moeten steeds de orgelpartijen, veelal alleen een continuolijntje, een toon omlaag worden getransponeerd. Zangers en strijkers spelen in deze kwestie geen rol; zij kunnen zich in willekeurige stemmingen handhaven.

 

Cammerton [Kammerton]: de in de 17e en 18e eeuw gebruikelijke lage stemming van kamermuziekinstrumenten (fluit, hobo), tegenwoordig gestandaardiseerd op a'=415 Hz, een hele toon lager dan Chorton; zie Chorton. (In de loop van de 19e eeuw zal deze standaard stemming oplopen naar de huidige a’=440 Hz)

 

chromatiek [chromatisch]: verhoging of verlaging van tonen met een halve-toonsafstand

 

circulatio: reeks om een vaste toon heen draaiende noten

 

clarino: geen instrument maar het hoogste register van een natuurtooninstrument (trompet, hoorn) waar, de natuurtonen zo dicht op elkaar liggen dat er melodisch gespeeld kan worden; van de achtste tot de twintigste boventoon. Lees verder bij Cantate 75.

 

coda: lett. staart; afrondend deel van een muziekstuk

 

colla parte [colla voci]: lett. met een andere partij [stem] mee; instrumentale partijen die een andere, primaire vocale of instrumentale stem volgen of verdubbelen

 

colla voci: zie colla parte

 

coloratuur: reeks muzikale versieringen, met snelle loopjes, sprongen, korte noten en tremolo's

 

concertino: kleine groep solisten binnen een groter ensemble

 

concertist: de primaire zanger die in Bachs uitvoeringspraktijk alle (koor- en solo-)partijen voor een stem uitvoert, in koorgedeelten terzijde gestaan door ripiënisten

 

concertant: met zelfstandige instrumentale partijen

 

concertante uitvoering: met alleen de muziek van een scenisch werk

 

consonant: welluidend


con sordino: met demper, om de klank van een strijkinstrument te verzachten


continuo: zie basso continuo; ook de aanduiding van de betreffende groep instrumentalisten, de continuogroep

 

contrapunt: meerstemmige muziek waarin de harmonie volgt uit het (‘horizontale’) verloop van twee of meer onafhankelijke stemmen in plaats van (‘verticaal’ gedachte) akkoorden

 

cori spezzati: ruimtelijk gescheiden opgestelde koren die samen één muziekstuk uitvoeren

 

corno da tirarsi: een koperblaasinstrument, meer precies: een hoorn, maar dan met een schuifmechnisme ('da tirarsi');  naar analogie van de tromba da tirarsi (schuiftrompet) te vertalen met schuifhoorn. Er zijn geen exemplaren of afbeeldingen meer bekend. Bach schrijft hem slechts driemaal voor (BWV 46, 162 en 67, in de jaren 1723/'24). Het instrument heeft waarschijnlijk een uitschuifbaar mondstuk of een schuifbare U-bocht gehad, zodat er niet alleen natuurtonen op konden worden gespeeld, maar alle chromatische tonen, en is het experimentele stadium nooit ontgroeid. Onlangs werden er 'hypothetische kopieën' van gebouwd door Olivier Picon (Basel) en Toshio Shimada voor het Bach Collegium Japan.  Documentatie

 

Cöthen [Köthen], (Thüringen): Bach werkt er van 1717 tot 1723 als kapelmeester aan het hof van Prins Leopold van Anhalt-Köthen. Het hof is calvinistisch dus verbiedt kerkmuziek; Bach componeert er slechts wereldse cantates voor verjaardagen en Nieuwjaar en verder instrumentale werken: de Brandenburgse Concerten, soloconcerten, de solosuites voor viool en cello, het Wohltemperierte Clavier I, en misschien een enkele kerkcantate voor zijn eigen Lutherse kerk.

 

crescendo: geleidelijk sterker wordend

 

C-sleutel: teken aan het begin van de notenbalk dat de toonhoogte van de genoteerde noten bepaalt door aan te geven dat de C ligt op de lijn door het midden van de sleutel. Deze sleutel kan op diverse lijnen staan: laag, onderste lijn, voor een sopraan wier noten immers meestal hoger liggen, hoog voor de tenor en in het midden voor de alt.

 

courante: levendige dans in driekwartsmaat


D

 

da capo: lett.: vanaf het begin; aanwijzing aan het slot van een stuk om het vanaf het begin te herhalen tot aan het codateken

 

da-capoaria: aria met een A-B-A-vorm; zie da capo.

 

dansant: dansend

 

de tempore: zoals voorgeschreven door de liturgische kalender van het kerkelijk jaar

 

diabolus in musica: lett. duivel in de muziek; het moeilijk te treffen en vooral in getempereerde stemming zeer onwelluidende interval van drie hele noten

 

dialoogcantate: een cantate waarin twee solisten/concertisten bepaalde rollen vervullen, zoals vaak Anima (de ziel, sopraan) en Christus (bas); een genre halverwege het dramma per musica (een mini-opera met nog meer personages).

 

diatoniek [diatonisch]: muziek die zich binnen de grenzen van een toonladder beweegt, zonder de chromatiek van incidentele verhogingen en verlagingen, dus zonder extra kruizen en mollen

 

dictum: lett. spreuk; een bijbelcitaat

 

dissonant [dissonante, dissoneren]: lett. slecht klinkend; samenklanken met intervallen als secunde, septiem en tritonus, die spanning oproepen en vragen om oplossing in een welluidende samenklank

 

dominant: de vijfde trap (toon) in een toonsoort, bv. de G in C-groot. Het septiemakkoord op deze toon (bv. G-B-D-F) is in moderne tonale composities vrijwel steeds het voorlaatste akkoord, dat dwingt tot oplossing naar de tonica. Ook: de toonsoort van die vijfde trap (bv. G-groot) die de meest nabije verwant is van de hoofdtoonsoort, één kruis (#) meer of één mol (♭) minder.

 

dominant septiemakkoord: grote drieklank plus kleine septiem; zie dominant

 

doorgangsnoot: vult een tertssprong op t.b.v. een soepeler melodie

 

dorisch: de dorische toonladder is een kerktoonladder, de reeks intervallen tussen D en D op de witte toetsen van de piano; typerend is de 'grote sext'.

 

doublet: bij Bach het tweede exemplaar van een vioolpartij, nodig omdat zijn ensemble meestal meerdere violisten omvatte. Doubletten werden niet (door de hoofdkopiïst) uit de partituur overgeschreven maar door een hulpkopiïst uit de eerste partij.

 

dramma per musica bij Bach: wereldlijke cantate met allegorische of mythologische personages
 

driegestreept: er zijn hoge en lage C’s, en nog hogere etc. Om de hoogte van een noot aan te geven hebben de octaven waartoe een noot behoort namen gekregen, met een symbolische aanduiding; van onder af het groot octaaf (C), het klein octaaf (c), het ééngestreept octaaf (c’), het tweegestreept octaaf (c’‘) en zo verder. De midden-c, bij het sleutelgat van de piano is de ééngestreepte c.

 

drieklank: akkoord van drie tonen: grondtoon, kleine of grote terts en kwint

 

duet [duetto]: stuk voor twee stemmen of instrumenten

 

Dürr, Alfred: (1918- 2011) Duits musicoloog, hoofdredacteur van de Neue Bach Ausgabe. Met Von Dadelsen revolutioneerde hij de Bach research met zijn nieuwe chronologie van de cantates, gebaseerd op onderzoek van de handschriften van Bach en zijn kopiïsten. Auteur van de veel geroemde pocketuitgave Johann Sebastian Bach. Die Kantaten (Bärenreiter, 1971)


E

 

Engführung: zie stretto

 

enharmoniek [enharmonisch]: op de piano en in ons alledaagse voorstellingsvermogen zijn een Cis (C#, verhoogde C) en een Des (D♭, verlaagde D) dezelfde noot, maar zuiver gestemd (en gezongen) is een Cis hoger dan een Des. Een compositie beweegt zich ofwel in mollen(♭♭)- of in een kruizen(##)-toonsoorten. Dan is een ‘enharmonische verwisseling’, bv. van Cis naar Des, een gebeurtenis die naar een andere wereld leidt.

 

exclamatio: lett. uitroep; een retorische figuur

 

expositie: eerste deel van een werk, waarin thema's worden geïntroduceerd die de basis zijn voor het vervolg


F

 

f, ff  : zie forte, fortissimo


F-sleutel [bassleutel]: bepaalt de lijn in een notenbalk waarop de F is genoteerd, gebruikt voor lage instrumenten

 

fauxbourdon [falsobordone]: lett. valse bas; middeleeuwse, vroeg-meerstemmige compositietechniek waarin twee stemmen in terts- en kwintparallellen een melodiestem begeleiden

 

fermate: rustpunt, verlengt de genoteerde noot, c.q. het akkoord waar het fermateteken boven staat

 

figura corta: kort-kort-lang-ritme, muziekretorische figuur, door Albert Schweitzer geïdentificeerd als ‘Freudenmotiv’

 

figurale muziek: contrapuntisch meerstemmige muziek

 

figuratie: versieringen

 

forte [f]: sterk, luid; in Bachs werk echter vaak ter aanduiding "hier bent u leidend (forte), hier begeleidend (piano)"

 

fortissimo [ff; fff]: zeer luid

 

frygisch: de frygische toonladder is een kerktoonladder, de reeks intervallen tussen E en E op de witte toetsen van de piano; typerend is de kleine secunde aan het begin.

 

fuga [fugatisch, fugato]: meerstemmig stuk waarbij één stem een thema inzet en andere dat overnemen


G

 

gavotte: snelle Franse dans in vierkwartsmaat

 

gebroken akkoord: zie arpeggio

 

gelijkzwevend [getempereerd]: stemming van toetsinstrumenten waarbij het octaaf in twaalf gelijke (maar allemaal een beetje valse, zwevende) intervallen van een halve toon wordt verdeeld;  eindstation in het streven om in alle toonsoorten te kunnen spelen, dat begon met onvrede over de oude, niet getempereerde middentoonstemmingen, die zuiver musiceren in een beperkt aantal toonsoorten toeliet, maar in veel andere totaal niet. Bachs tijd experimenteerde met getempereerde (‘wohltemperierte’) stemmingen, die alle toonsoorten redelijk speelbaar maakten, zij het met karakterverschillen.

 

gepuncteerd: lett. met een punt; de punt achter een noot verlengt deze met de helft, ten koste van de volgende noot

 

getempereerd: zie gelijkzwevend

 

gigue: snelle dans in 6/8 maat, vaak met gepuncteerd ritme

 

grave: ernstig, zeer traag

 

grondtoon: zie tonica

 

groot: zie majeur

 

G-sleutel [vioolsleutel]: bepaalt de lijn in een notenbalk waarop de G is genoteerd, gebruikt voor hoge partijen, inzonderheid de rechterhand van pianopartijen.


H

 

halfslot: voorlopig slot, vaak een dominant-septiemakkoord dat aan het slotakkoord voorafgaat

 

hemiool: lett. anderhalf; ritmische accentverschuiving, vaak aan het slot, waarbij twee driedelige maten worden behandeld als drie tweedelige: 2x3 wordt 3x2

 

homofonie [homofoon, homofone]: meerstemmige muziek waarbij alle stemmen grotendeels hetzelfde ritme hebben, zoals koralen; vaak een reeks opeenvolgende akkoorden; anders dan polyfonie.

 

hybride: met een combinatie van verschillende muzikale vormen


I

 

interval: afstand tussen twee tonen (secunde, terts, kwart, kwint, sext, septiem, octaaf)

 

introïtus: lett. intocht; inleiding

 

inversus: de omkering van een fugathema (rectus), waarbij elk stapje omhoog een stapje omlaag wordt, en omgekeerd


J

 

jaargang in verband met cantates: een verzameling cantates voor elk van de zon- en feestdagen in het kerkelijk jaar, zo’n 60 stuks. Een dergelijke jaargang behoeft natuurlijk niet in één jaar te worden gecomponeerd; Bach deed dat wel in zijn eerste twee jaren in Leipzig, over zijn derde jaargang deed hij twee jaar. Een tijdgenoot als Graupner componeerde wel 20 jaargangen. Dichters schreven jaargangen cantateteksten zoals moderne dichters liederencycli of sonnettenkransen schrijven.


K

 

Kammerton: zie Cammerton

 

kerkelijk jaar of liturgisch jaar: de lijst zon- en feestdagen, met de bijbehorende liturgische voorschriften: lezingen, gezangen, gebeden etc.

 

kerktoonsoort [kerktoonladder]: toonsoort (modus) die gebruikt werd in religieuze muziek van Middeleeuwen en Renaissance. Er zijn in principe acht (tweemaal vier) verschillende kerktoonsoorten, elk bestaande uit twee dezelfde toonreeksen van vier noten. Het karakter van de toonsoort wordt bepaald door de plaats van het halve-toon-interval in die reeks: frygisch als dat volgt op de eerste toon, dorisch na de tweede, mixolydisch na de derde, lydisch na de vierde. In deze volgorde beslaan de genoemde vier voornaamste (‘authentieke’) toonladders (modi) de witte toetsen op de piano, met als eerste, als grondtoon, achtereenvolgens de E, de D, de G en de F. De vier ‘plagale’, d.w.z. hiervan afgeleide modi beginnen een kwart lager en worden aangeduid met het voorvoegsel “hypo-”: hypo-dorisch begint op de A, etc.

 

kinstrijkers: violisten en altviolisten

 

Kirchenstück: naam die Bach zelf meestal aan zijn cantates gaf; voorganger van de moderne cantate; het bestaat alleen uit koraal en bijbeltekst

 

klein: zie mineur

 

koor: in algemene zin een groep zangers of instrumentalisten; meer specifiek: een groep zangers. In Bachs cantates bestond het minimaal twaalf jongens tellende zangerskoor uit concertisten, één per stemgroep, die ook de solopartijen uitvoerden, en steunzangers of ripiënisten; bij grotere werken kon dit koor worden versterkt door een afzonderlijk opgesteld koor van louter ripiënisten.

 

koorbalkon: Bachs cantates werden uitgevoerd vanaf het balkon rond de speeltafel van het orgel of een afzonderlijk balkon terzijde daarvan. Voor de ervaring van zijn cantates van belang omdat (a) de musici zich dus hoog boven het publiek bevonden (zie de extreme situatie in Weimar) en nabij het grote orgel, dat aanmerkelijk meer geluid maakte dan hedendaagse kistorgels.

 

koorinbouw: invoeging van een vocaal gedeelte in een overigens instrumentaal werk.

 

koraal in de lutherse kerkmuziek: kerklied, oorspronkelijk eenstemmig, door de gemeente gezongen; bij Bach werden de vierstemmige bewerkingen door koor en orkest uitgevoerd.

 

koraalcantate: een specifiek, door Bach in zijn tweede jaargang ontwikkeld type cantate op basis van een bestaand koraal; daarvan wordt de tekst van het eerste en laatste couplet gebruikt voor een openingskoor en een slotkoraal, de tussenliggende (binnen-) verzen worden geparafraseerd tot recitatief- en ariateksten. De koraalmelodie klinkt in elk geval n het openingskoor, in lange noten, meestal door de sopraan gezongen, en verder vaak in allerlei vormen in de andere delen.

 

koraalfantasie: uitgebreide bewerking van een koraal voor koor of orgel

 

kruis: verhoging met een halve toon; aan de betreffende toon wordt  -is toegevoegd: Ais, Bis, Cis, Dis, Eis, Fis, Gis.


kwart: het interval tussen de eerste en de vierde toon in een toonladder, een afstand van twee hele en een halve toon.

 

kwartparallel: zie bij tertsparallel

 

kwint: het interval tussen de eerste en de vijfde toon in een toonladder, een afstand van drie hele tonen en een halve toon

 

kwintparallel: zie bij tertsparallel


L

 

lamento: klaagzang

 

largo: langzaam

 

Leipzig (Saksen): na de hoofdstad Dresden de tweede stad in Saksen maar met internationale allure, met zijn universiteit, als centrum van boekenproductie en als Europees handelscentrum met zijn drie jaarmarkten (Messen). Bach werkte er van 1723 tot zijn dood in 1750 als stedelijke director musices, verantwoordelijk voor de muziek in de vier hoofdkerken, en als cantor van de Thomaskirche. Hier componeerde hij, voornamelijk in de eerste vier jaren van zijn cantoraat, driekwart van de ons resterende tweehonderd cantates.

 

librettist: maker van een libretto


libretto: letterlijk 'boekje'; de tekst van een cantate, oratorium of opera

 

litanie: smeekbede

 

liturgisch jaar: zie kerkelijk jaar


M

 

majeur: muziek in de grote-tertstoonladder; ook groot genoemd

 

melisma [melisme, melismatisch]: verschillende noten op één lettergreep (tegenover syllabische muziek)

 

melodiek: het melodische (naast het ritmische en het harmonische) aspect van muziek

 

mensuraalnotatie:  de middeleeuwse muzieknotatie (bv. van het gregoriaans) die hoogte en duur van tonen en rusten vastlegt.

 

menuet: Franse dans in opgewekte driekwartsmaat

 

mineur: muziek in de kleine-tertstoonladder; ook klein genoemd

 

moderne cantate: het model van de meeste latere Bachcantates, waarin de elementen van  het oude, 17e-eeuwse Kirchenstück (koraal en bijbeltekst) samengingen met de elementen van de nieuwe Italiaanse cantates met hun vrij gedichte teksten voor aria's en recitatieven. Wat wij 'cantates' noemen, noemde Bach zelf trouwens meestal, naar 17e-eeuwse gewoonte, motetto, concerto of Kirchenstück; het woord 'cantate’ reserveerde hij voor composities 'in Italiaanse stijl', waaraan uitsluitend vrije teksten ten grondslag lagen.

 

modus [modi]: toonsoort

 

mol: verlaging met een halve toon; aan de betreffende toon wordt -es of -s toegevoegd: As, Bes, Ces, Des, Es, Fes, Ges

 

monodie: eenstemmige zang met instrumentale begeleiding, zoals in aria’s en recitatieven

 

motet [motetto]: in het algemeen (en bij Bach) een meerstemmige vocale compositie op religieuze tekst, zonder zelfstandige instrumentale begeleiding, dus a cappella of met alleen continuo; meer in het bijzonder een vroegere polyfone wijze van componeren, waarbij achtereenvolgende tekstgedeelten een eigen muzikaal thema krijgen, dat door de verschillende stemmen achtereenvolgens, los imiterend of streng canonisch, wordt gezongen; een tekst van acht regels leidt zodoende tot acht verschillende, direct in elkaar overgaande stukken muziek.

 

motivisch: op (eerder genoemde) motieven gebaseerd

 

Mühlhausen (Thüringen): Bach werkte er slechts één jaar, van 1707 tot 1708, als organist aan de Blasiuskerk. Hier componeerde hij de oudste cantates die wij nog kennen, de BWV-nummers 106, 131, 4, 71 en 150.

 

N

 

napolitaans sextakkoord : een veelgebruikt akkoord (sextakkoord op de vierde trap), dat door verlaging van één noot een ongewone kleuring geeft; het kwam in de mode in het Napels van Scarlatti.

 

Neue Bach Ausgabe [NBA]: tweede complete uitgave van de werken van J.S.Bach, verschenen tussen 1954 en 2007 onder auspiciën van de Neue Bach Gesellschaft; honderd partituren, waarvan de helft cantates.

 

Neue Bach Gesellschaft [NBG]: in 1900 opgericht nadat de 19e-eeuwse Bach Gesellschaft zich had opgeheven toen de volledige uitgave van Bachs werk was voltooid. De NBG stelt zich ten doel de verspreiding van Bachs werk; ze geeft jaarlijks het Bach Jahrbuch uit, organiseert het Bach Festival, stichtte het Bachhaus in Leipzig en nam in 1950 het initiatief tot de tweede, herziene volledige uitgave van Bachs werk.

 

none: interval van negen tonen, een octaaf plus één


O

 

*obligaat [obligate]: lett. verplicht; voorgeschreven partij die niet mag worden weggelaten; meestal een instrumentale partij in samenwerking met een solozangpartij

 

octaaf: interval tussen de eerste en de achtste noot van een toonladder. Ook: alle tonen daarbinnen

 

octaveren [geoctaveerd]: een octaaf lager of hoger laten klinken dan genoteerd staat

 

orgelpunt: lang aangehouden basnoot, waarboven andere stemmen zich vrij bewegen

 

orgeltoon: zie Cammerton

 

orthodox in de lutherse kerk van Bachs tijd: vasthoudend aan een aantal oorspronkelijke theologische, tamelijk cerebrale stellingen en vaste liturgische procedures. De orthodoxie werd in de loop van de 17e eeuw uitgedaagd door het piëtisme, dat meer aandacht vroeg voor de subjectieve kant van het geloof: de persoonlijke vroomheid en het leven en lijden van eenvoudige gelovigen. Daarbij paste niet de concertante kerkmuziek waaraan de orthodoxie vasthield. Hoewel Bach in Leipzig onmiskenbaar in een orthodoxe omgeving verkeerde, waarvan ook zijn boekenkast getuigt, brengt het subjectieve, op de uiting van persoonlijke gevoelens gerichte karakter van recitatieven en aria's hem ook in piëtistisch vaarwater. In het begin van de 18e eeuw kreeg de lutherse orthodoxie te maken met een andere uitdaging: de Verlichting, die o.m. stelde dat de Bijbel als een historisch boek benaderd moest worden.

 

ostinato [ostinaat, ostinate]: lett. koppig; voortdurende herhaling van een kort motief


P

 

p, pp: zie piano, pianissimo

 

parodie [parodiëren]: vocale compositie die bestaande muziek voorziet van een nieuwe tekst.

 

passacaglia [pasacaille]: variaties boven een steeds herhaalde basmelodie

 

passus duriusculus: lett. moeizame gang; een in halve tonen voortschrijdende tonenreeks, stijgend of dalend, in het laatste geval bv. de lamento-bas

 

pasticcio: lett. pastei; een uit diverse bestaande muziekstukken, ook van verschillende componisten, samengesteld muziekstuk, bv. een pasticcio-cantate of -opera

 

pentachord: de vijf tonen die een kwint opvullen

 

periodische structuur: regelmatige opeenvolging van onderling verschillende maar herkenbare eenheden

 

permutatiefuga: strenge, ietwat primitieve fuga, door de jonge Bach regelmatig voor koorfuga's gebruikt, waarbij een thema met ijzeren regelmaat wordt gevolgd door een reeks contrapunten.

 

per ogni tempore: lett. voor alle tijden; geschikt voor allerlei gelegenheden, niet bestemd voor een bepaalde dag van het kerkelijk jaar

 

per omnes versus: gebaseerd op tekst van alle coupletten van een koraal, gebruikelijk toen cantates nog geen aria's en recitatieven bevatten.

 

piano: zacht, bij Bach ook als instructie "u bent hier slechts begeleidend"

 

pianissimo: heel zacht

 

picardische terts: de grote terts die soms optreedt in het slotakkoord van een compositie in mineur, waardoor het stuk desondanks in majeur eindigt.

 

piëtisme [piëtist, piëtistisch]: een devotionele geestelijke stroming binnen het lutheranisme, die opkomt in de tweede helft van 17e eeuw, in de nasleep van de verwoestende Dertigjarige Oorlog (1618-1648), en aandacht vraagt voor de subjectieve gevoelens van de onder epidemieën, oorlogsgeweld en angsten lijdende gelovige. Het verzet zich tegen cerebrale dogmatiek en theologische scherpslijperij en legt de nadruk op persoonlijke vroomheid en een sober praktisch christendom, met gebed, dagelijkse bijbelstudie en eenvoudige liederen voor de huiselijke kring en een afzien van wereldse genoegens. Het piëtisme, dat voortbouwt op middeleeuwse mystiek,  leidt, na de eerste golf in de tijd van Luther,  tot een tweede golf van koraalcomposities, die vaak aan de woorden ich, mein, uns etc. te herkennen zijn en waarvan Paul Gerhardt (1607-1676) de voornaamste vertegenwoordiger is. Voor de lutherse orthodoxie waren deze spirituele oogmerken minder bedreigend dan de piëtistische pogingen om alle rituelen inclusief concertante muziek uit de kerkdienst te weren. Bach werkte dan ook steeds in orthodoxe omgevingen, maar het op expressie van individuele emoties gerichte karakter van aria’s leidde ertoe dat we in zijn cantates regelmatig nogal piëtistische teksten tegenkomen; de voorstelling van Christus als bruidegom van de ziel illustreert dat.

 

pizzicato: aanwijzing voor strijkinstrumenten: getokkeld i.p.v. gestreken

 

polyfonie [polyfoon, polyfone]: meerstemmige muziek, waarin verschillende stemmen gelijkwaardig zijn; geen onderscheid tussen melodievoerende en begeleidende stemmen; anders dan homofonie, waarin bij een melodiestem de andere stemmen slechts begeleidende akkoorden verzorgen, zoals in koralen

 

Posaunenchor: een ensemble (trio, kwartet, etc.) van trombones (sopraan, alt, tenor en bas), dat lang vóór Bach, maar ook nog bij hem, in de kerkmuziek fungeerde als ondersteuning van koorstemmen. In plaats van de sopraantrombone werd meestal een cornetto of zink gebruikt.

 

preludium: voorspel

 

psalmodie: letterlijk psalmgezang, meer specifiek: de gregoriaanse melodieën waarop psalmen werden gezongen


R

 

recitatief [recitatieven]: declamerende solozang, meestal begeleid door basso continuo (secco)

 

rectus: de oorspronkelijke versie van een fugathema (zie ook inversus)

 

refutatio: begrip uit de retorica, weerlegging van de argumenten van de opponent

 

ripiënist [ripienozanger]: steunzanger of tuttizanger, zie ook koor

 

ritornel [ritornello]: terugkerend instrumentaal intermezzo, dat meestal reeds als inleiding wordt gepresenteerd

 

roulade: lett. werveling; zwierige vocale frase


S

 

saltus duriusculus: sprong over een moeilijk te treffen en onwelluidend interval zoals een overmatige kwart (diabolus in musica) of een verminderde sext

 

sarabande: langzame dans in 3/4 of 3/2 maat

 

Schering,  Arnold (1877-1941), Duits musicoloog, die als eerste eindredacteur van het Bach Jahrbuch sterk bijdroeg aan de verbreiding van Bachs werk in het begin van de vorige eeuw; publiceerde o.m. Bachs Leipziger Kirchenmusik (1936) en  Über Kantaten J.S. Bachs (1942).

 

Schleifer: snel aanloopje over enkele noten naar een hoofdnoot, zoals in ‘Er-ba-ha-har-me dich’

 

Schulze, Hans-Joachim (*1934): Duits musicoloog en Bach-onderzoeker; o.m. directeur van het Bach Archiv Leipzig; publiceerde de serie Bach Dokumente I-IV en de bundel Die Bach-Kantaten (2006).

 

Schweitzer, Albert, (1875-1965) arts, theoloog en organist, geboren in de toenmalig Duitse Elzas; ontving  in 1953 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk als arts in een klein ziekenhuis in Lambarene (Gabon), dat hij financierde uit de opbrengsten van orgeltournées door Europa. Voordat hij als 32-jarige geneeskunde begon te studeren had hij reeds naam gemaakt als orgeldeskundige die een terugkeer naar de preromantische orgelbouw bepleitte en als auteur van zijn monografie over Bach (‘Joh. Seb. Bach’, Leipzig, 1908) waarin hij zijn ervaringen verwerkte als organist bij een cantateserie in Straatsburg en de aandacht vestigde op de vele tekstillustratieve muzikale figuren in Bachs cantates. Lees hier meer over hem.

 

secco: lett. droog; gebruikt voor recitatieven die slechts door korte continuoakkoorden worden begeleid

 

secunde: interval van één toon

 

Seele: de ziel, vaak Anima of Vox Animae genoemd, meestal door de sopraan vertolkt

 

septiem: interval tussen eerste en zevende toon van een toonladder

 

septiemakkoord: een drieklank plus een septiem

 

sequens: een reeks herhalingen van een muzikale figuur, vaak op telkens lagere of hogere toonhoogte

 

sext: interval tussen eerste en zesde toon van een toonladder                              

 

Seufzer: lett. zucht; slepende verbinding over een secunde tussen een benadrukte noot en één secunde lagere of hogere onbeklemtoonde noot

 

siciliano: dans in een gepuncteerd 3/8-ritme, oorspronkelijk een Siciliaanse herdersdans

 

sinfonia: instrumentaal deel in een grotere vocale compositie, bij Bachs cantates steeds aan het begin of aan het begin van deel II (na de preek)

 

si piace: naar believen

 

solocantate: een cantate voor één vocale solist/concertist

 

sonate [sonata]: instrumentale, meestal meerdelige compositie

 

sonatina: lett. kleine sonata

 

sopraansleutel: een C-sleutel die de lijn in een notenbalk bepaalt waarop de C is genoteerd, in casu op de onderste lijn


spiccato : lett. geprononceerd; met de strijkstok op de snaar slaan in plaats van strijken, een verhevigde vorm van staccato

 

Spitta, Philipp (1841-1894): Duitse muziekwetenschapper en Bach-onderzoeker; auteur van de monumentale tweedelige Bach-biografie Johann Sebastian Bach (1873 resp. 1880;  855 resp. 1014 pagina’s)


staccato: elke noot apart en kort aangezet

 

stile antico: letterlijk antieke stijl; alle stemmen zijn gelijkwaardig en worden alleen door continuo begeleid; geringschattende kwalificatie waarmee de Italiaanse vernieuwingsbeweging rond Monteverdi (1600), die met zijn stile nuovo de Barok inluidde, zich afzette tegen de intellectuele, streng polyfone compositiestijl ('Palestrinastijl') van haar voorgangers; de stile antico wordt ook wel ‘kerkstijl’, ‘contrapuntische stijl’, ‘motetstijl’ of ‘prima pratica’ genoemd

 

stile nuovo: letterlijk nieuwe stijl; naam waarmee de vernieuwingsbeweging rond Monteverdi (1600) zich uitdoste en waarmee in de muziek de Barok werd ingeluid; virtuoze solozang met begeleidende stemmen, niet meer een gelijkwaardigheid van alle stemmen zoals in de stile antico

 

Stollen: tweemaal een tekstregelpaar op dezelfde melodie, samen Aufgesang genoemd; op de Stollen volgen enkele regels Abgesang met een andere melodie en het geheel is een cantatedeel in de Bar-vorm.

 

stretto: lett. krap; passage in een fuga, waarin het fugathema door één of meer stemmen wordt ingezet nog voordat de voorafgaande stem daarmee klaar is; over elkaar heen vallende thema’s;  Duits: Engführung

 

Stübel, Andreas (1653-1725): emeritus conrector van de Thomasschule, maar uit die functie voortijdig ontslagen wegens ‘sektarische’ denkbeelden, en met enige naam als dichter. Hij overleed onverwachts op 31 januari 1725, kort nadat het tekstboek met de laatste koraalcantates (t/m Maria Boodschap, 25 maart) ter perse moet zijn gegaan. Als Stübel daarvan de tekstdichter is geweest, zou zijn dood daarom het plotselinge einde van Bachs koraalcantatereeks kunnen verklaren.

 

suite: oorspronkelijk Franse instrumentale compositie met een reeks dansen als allemande, courante, sarabande en gigue

 

superponeren [gesuperponeerd]: verschillende muzikale ideeën die tegelijkertijd klinken, als lagen over elkaar gestapeld

 

syllabisch: elke lettergreep krijgt een eigen noot (tegenover melismatisch)

 

syncope [syncopen, syncopisch]: verschoven ritmisch accent, ingaand tegen het heersende metrum; accent op het zwakke maatdeel


T

 

taille: letterlijk middenstem; bij Bach gangbare aanduiding voor een althobo, het midden tussen de dubbelrietblazershobo en de fagot  [afbeelding]

 

tempus clausum: lett. gesloten tijd; periode in het kerkelijk jaar (zoals de advents- en de vastentijd) van inkeer en boetedoening, waarin zekere dingen (dansen, bruiloften, muziek, luxe) verboden zijn

 

tenorsleutel: een C-sleutel die de lijn in een notenbalk bepaalt waarop de C is genoteerd, in casu de vierde lijn

 

terts: interval tussen eerste en derde toon van een toonladder

 

tertsparallel, kwartparallel, kwintparallel: twee stemmen die bij hun sprongen hetzelfde interval aanhouden

 

tetrachord: opeenvolging van vier tonen in een toonladder

 

terzet: solostuk (aria) voor drie stemmen

 

tirata [tirades]: lett. ruk, haal; reeks snelle gelijkwaardige noten, veelal stijgend 

 

Todessehnsucht: verlangen naar de dood, doodswens; in Bachs lutheranisme het complement van de wens zo snel mogelijk bij Jezus te zijn.

 

tonaal [tonale muziek]: geschreven in een van de moderne mineur of majeur toonladders; tegenover modaal, geschreven in een van de oude kerktoonladders.

 

tonica: eerste toon en grondtoon van een toonladder, meestal zijn het eerste en het laatste akkoord van een compositie erop gebouwd

 

tonus: toonsoort

 

tonus peregrinus: lett. zwerftoonsoort; een uitzonderlijke (‘negende’) kerktoonladder, waarvan de reciteertoon (de ténor, waarop de meeste lettergrepen worden gezongen) in de voorzin één toon hoger is dan in de nazin; de toonsoort (modus) schuift daardoor van frygisch naar dorisch en beslaat daardoor precies de tonen van de moderne kleine-tertstoonladder

 

toonladder: reeks van acht opeenvolgende tonen, waarvan de laatste dezelfde is als de eerste, maar een octaaf hoger; de basis van een toonsoort; genoemd naar de grondtoon plus de aanduiding groot/majeur of klein/mineur, bv. C-D-E-F-G-A-B-C’

 

toonsoort [modus]: specifieke set van tonen die in een muziekstuk worden gebruikt en de muziek een bepaald karakter geven; gebaseerd op de toonladder en genoemd naar de grondtoon plus de aanduiding groot/majeur of klein/mineur, bv. C-groot of f-klein

 

 tremolo [tremuli, tremulus, tremuleren]: snelle herhaling van dezelfde noot

 

tripelfuga: fuga met drie verschillende thema's

 

tritonus: interval van drie hele tonen, sterke dissonant, voor zangers moeilijk te treffen; in de Middeleeuwen met de duivel geassocieerd en verboden, de diabolus in musica        

 

tromba di tirarsi: lett. schuiftrompet, een vroeg koperblaasinstrument dat evenals de natuurtrompet niet over gaten of pistons beschikt maar wel over een in- en uitschuifbaar deel van de buis, waardoor het niet alleen de natuurtonenreeks kan voortbrengen maar ook alle chromatische tonen daartussenin. Het uitschuifbare deel kan het mondstuk zijn waardoor de hele rest van het instrument moet worden bewogen en virtuoze passages zijn uitgesloten, of een U-vormig middenstuk (als bij een trombone) dat eenvoudiger bewegingen vergt. [video-introductie]. Zie ook bij Cantate 75

 

trombae: trompetten

 

Trugschluẞ: lett. bedrieglijk slot; een harmonische afsluiting (cadens) waarbij het gebruikelijke voorlaatste dominant-septiemakkoord niet gevolgd wordt door het verwachte tonica-akkoord, maar door de drieklank op de sext


tutti: allen


U

 

unisono: lett. eenstemmig; meerdere stemmen volgen een zelfde partij


V

 

Verlichting: zie orthodox

 

verminderd: een halve toon verlaagd

 

verminderde drieklank: een drieklank die bestaat uit grondtoon, kleine terts en verminderde kwint
 

verminderd-septiemakkoord: een verminderde drieklank plus een verminderde septiem

 

vibrato: snelle kleine wisseling van toonhoogte

 

vioolsleutel: zie G-sleutel

 

vivace: levendig

 

volta: keer, maal

 

voorhouding: een niet tot een akkoord behorende noot die pas later oplost naar de beoogde slotnoot; beroemdste voorbeeld: het slotakkoord van de Matthäus-Passion

 

voor-imitatie: motief of thema in een polyfone compositie, dat voorafgaat aan het thema waarvan het is afgeleid, c.q. dat het imiteert; vooral in stemmen die de cantus firmus in koraalbewerkingen begeleiden.

 

voorslag: versieringsnoot die voorafgaat aan de hoofdnoot

 

Vox Animae: stem van de geest, ook Seele (ziel) genoemd

 

Vox Christi: stem van Christus

 

Vox Dei: stem van God


W

 

Weimar (Thüringen): Nadat Bach er van 1702 tot 1703 anderhalf jaar als musicus heeft gewerkt aan het hof van hertog Johann Ernst, keert hij er (na jaren in Arnstadt en Mühlhausen) in 1708 terug als hoforganist en kamermusicus en hij blijft er tot 1717. In de eerste zes jaren componeert hij er enkele cantates (143, 196, 18 en 54); wanneer hij in 1714 is benoemd tot concertmeester volgen maandelijkse cantates, waarvan wij er nog ongeveer twintig kennen.

 

Whittaker, William Gillies, (1876-1944): organist, dirigent, componist, musicoloog; voerde in Glasgow en Newcastle voor het eerst alle cantates van Bach uit, wat leidde tot het pas in 1959 gepubliceerde tweedelige boek The Cantatas of Johann Sebastian Bach, Oxford University Press.


Z

 

Ziegler, Christiane Mariane von, tekstdichter van de negen cantates  (BWV 103, 108, 87, 128, 183, 74, 68, 175, 176 ), die Bach componeerde tussen Pasen en Pinksteren 1725.