naar de bespreking van BWV 75

Die Elenden sollen essen (BWV 75)

Johann Sebastian Bach

1.     Koor

»Die Elenden sollen essen, "De ellendigen zullen eten,
daß sie satt werden, zodat ze verzadigd worden
und die nach dem Herrn fragen, en wie naar de Heer vragen,
werden ihn preisen. zullen hem prijzen.
Euer Herz soll ewiglich leben.«Jullie hart zal eeuwig leven."

2.     Recitatief (B)

Was hilft des Purpurs Majestät,Wat heb je aan de majesteit van het purper,
da sie vergeht?ze vergaat immers?
Was hilft der größte Überfluß,Wat heb je aan de grootste overvloed,
weil alles, so wir sehen,want alles wat wij zien
verschwinden muß?moet toch verdwijnen?
Was hilft der Kützel eitler Sinnen,Wat heb je aan de prikkeling van ijdele zinnen,
denn unser Leib muß selbst von hinnen?want ons lichaam zelf moet toch weg van hier?
Ach, wie geschwind ist es geschehen,Ach, hoe gemakkelijk maken
daß Reichtum, Wollust, Prachtrijkdom, wellust, kracht,
den Geist zur Hölle macht!de geest tot een hel!

3.     Aria (T)

Mein Jesus soll mein alles sein! Mijn Jezus moet mijn alles zijn.
Mein Purpur ist sein teures Blut, Mijn purper is zijn dierbare bloed,
er selbst mein allerhöchstes Gut, hijzelf is mijn allerhoogste goed,
und seines Geistes Liebesglut en de liefdesgloed van zijn geest
mein allersüßster Freudenwein.is mijn allerzoetste vreugdewijn.

4.     Recitatief (T)

Gott stürzet und erhöhetGod brengt ten val en verhoogt
in Zeit und Ewigkeit.in tijd en eeuwigheid.
Wer in der Welt den Himmel sucht,Wie in de wereld de hemel zoekt,
wird dort verflucht.wordt daarginds vervloekt.
Wer aber hier die Hölle überstehet,Maar wie hier de hel doorstaat,
wird dort erfreut.wordt daarginds verblijd.

5. Aria (S)

Ich nehme mein Leiden mit Freuden auf mich. Ik neem mijn lijden met vreugde op mij.
Wer Lazarus' Plagen Wie de kwellingen van Lazarus
geduldig ertragen, geduldig heeft verdragen,
den nehmen die Engel zu sich.die nemen de engelen tot zich.

6.     Recitatief (S)

Indes schenkt Gott ein gut Gewissen, Maar God schenkt een goed geweten,
dabei ein Christe kann waarmee een christen van iets kleins
ein kleines Gut mit großer Lust genießen. met veel plezier kan genieten.
Ja, führt er auch durch lange Not Ja, al leidt hij ons ook via lang lijden
zum Tod, naar de dood,
so ist es doch am Ende wohlgetan.ten slotte is het toch welgedaan.

7.     Koraal

Was Gott tut, das ist wohlgetan;Wat God doet, dat is welgedaan;
muß ich den Kelch gleich schmecken,ook al moet ik de beker drinken
der bitter ist nach meinem Wahn,die ik bitter waan,
laß ich mich doch nicht schrecken,ik laat me niet afschrikken,
weil doch zuletztwant uiteindelijk
ich werd ergötztword ik verblijd
mit süßem Trost im Herzen;met zoete troost in mijn hart;
da weichen alle Schmerzen.dan verdwijnen alle smarten.

8.     Sinfonia


9.     Recitatief (A)

Nur eines kränktSlechts één ding grieft
ein christliches Gemüte:het hart van een christen:
wenn es an seines Geistes Armut denkt.als hij aan zijn geestelijke armoede denkt.
Es gläubt zwar Gottes Güte,Het gelooft wel in Gods goedheid,
die alles neu erschafft;die alles nieuw maakt;
doch mangelt ihm die Kraft,maar het mist de kracht
dem überirdschen Lebenom het bovenaardse leven
das Wachstum und die Frucht zu geben.te laten groeien en vrucht dragen.

10.     Aria (A)

Jesus macht mich geistlich reich. Jezus maakt mij geestelijk rijk.
Kann ich seinen Geist empfangen, Als ik zijn geest kan ontvangen,
will ich weiter nichts verlangen; dan verlang ik verder niets meer;
denn mein Leben wächst zugleich.want dan wordt mijn leven verrijkt.

11.     Recitatief (B)

Wer nur in Jesu bleibt,Wie maar bij Jezus blijft,
die Selbstverleugnung treibt,zichzelf verloochent,
daß er in Gottes Liebeen zich in Gods liefde
sich gläubig übe,gelovig oefent,
hat, wenn das Irdische verschwunden,die heeft, als het aardse is verdwenen,
sich selbst und Gott gefunden.zichzelf en God gevonden.

12.     Aria (B)

Mein Herze glaubt und liebt.Mijn hart gelooft en heeft lief.
Denn Jesu süße Flammen,Want de zoete vlammen van Jezus,
aus den' die meinen stammen,waaruit de mijne voortkomen,
gehn über mich zusammen,spreiden zich over mij uit
weil er sich mir ergibt.omdat hij zichzelf aan mij schenkt.

13.     Recitatief (T)

O Armut, der kein Reichtum gleicht! O armoede, waar geen rijkdom aan kan tippen!
wenn aus dem Herzen Als de hele wereld
die ganze Welt entweicht uit het hart verdwijnt
und Jesus nur allein regiert. en alleen Jezus regeert.
So wird ein Christ zu Gott geführt! Dan wordt een christen naar God geleid!
Gib, Gott, daß wir es nicht verscherzen!Geef, God, dat wij het niet verspelen!

14.     Koraal

Was Gott tut, das ist wohlgetan,Wat God doet dat is welgedaan,
dabei will ich verbleiben.dat wil ik vasthouden;
Es mag mich auf die rauhe Bahnal word ik op de ruwe weg
Not, Tod und Elend treiben;voortgejaagd door nood, dood en ellende,
so wird Gott michGod zal mij
ganz väterlichheel vaderlijk
in seinen Armen halten;in zijn armen houden,
drum laß ich ihn nur walten.daarom laat ik hem maar regeren.
  
Libretto: onbekend Vertaling: Ria van Hengel

Kale tekst origineel

1.     Koor

»Die Elenden sollen essen,
daß sie satt werden,
  und die nach dem Herrn fragen,
  werden ihn preisen.
Euer Herz soll ewiglich leben.«

2.     Recitatief (B)

Was hilft des Purpurs Majestät,
da sie vergeht?
Was hilft der größte Überfluß,
weil alles, so wir sehen,
verschwinden muß?
Was hilft der Kützel eitler Sinnen,
denn unser Leib muß selbst von hinnen?
Ach, wie geschwind ist es geschehen,
daß Reichtum, Wollust, Pracht
den Geist zur Hölle macht!

3.     Aria (T)

Mein Jesus soll mein alles sein!
  Mein Purpur ist sein teures Blut,
  er selbst mein allerhöchstes Gut,
  und seines Geistes Liebesglut
  mein allersüßster Freudenwein.

4.     Recitatief (T)

Gott stürzet und erhöhet
in Zeit und Ewigkeit.
Wer in der Welt den Himmel sucht,
wird dort verflucht.
Wer aber hier die Hölle überstehet,
wird dort erfreut.

5. Aria (S)

Ich nehme mein Leiden mit Freuden auf mich.
  Wer Lazarus' Plagen
  geduldig ertragen,
  den nehmen die Engel zu sich.

6.     Recitatief (S)

Indes schenkt Gott ein gut Gewissen,
dabei ein Christe kann
ein kleines Gut mit großer Lust genießen.
Ja, führt er auch durch lange Not
zum Tod,
so ist es doch am Ende wohlgetan.

7.     Koraal

Was Gott tut, das ist wohlgetan;
muß ich den Kelch gleich schmecken,
der bitter ist nach meinem Wahn,
laß ich mich doch nicht schrecken,
weil doch zuletzt
ich werd ergötzt
mit süßem Trost im Herzen;
da weichen alle Schmerzen.

8.     Sinfonia



9.     Recitatief (A)

Nur eines kränkt
ein christliches Gemüte:
wenn es an seines Geistes Armut denkt.
Es gläubt zwar Gottes Güte,
die alles neu erschafft;
doch mangelt ihm die Kraft,
dem überirdschen Leben
das Wachstum und die Frucht zu geben.

10.     Aria (A)

Jesus macht mich geistlich reich.
Kann ich seinen Geist empfangen,
will ich weiter nichts verlangen;
denn mein Leben wächst zugleich.

11.     Recitatief (B)

Wer nur in Jesu bleibt,
die Selbstverleugnung treibt,
daß er in Gottes Liebe
sich gläubig übe,
hat, wenn das Irdische verschwunden,
sich selbst und Gott gefunden.

12.     Aria (B)

Mein Herze glaubt und liebt.
  Denn Jesu süße Flammen,
  aus den' die meinen stammen,
  gehn über mich zusammen,
  weil er sich mir ergibt.

13.     Recitatief (T)

O Armut, der kein Reichtum gleicht!
wenn aus dem Herzen
die ganze Welt entweicht
und Jesus nur allein regiert.
So wird ein Christ zu Gott geführt!
Gib, Gott, daß wir es nicht verscherzen!

14.     Koraal

Was Gott tut, das ist wohlgetan,
dabei will ich verbleiben.
Es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben;
so wird Gott mich
ganz väterlich
in seinen Armen halten;
drum laß ich ihn nur walten.


Libretto: onbekend
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1.     Koor

"De ellendigen zullen eten,
zodat ze verzadigd worden
en wie naar de Heer vragen,
zullen hem prijzen.
Jullie hart zal eeuwig leven."

2.     Recitatief (B)

Wat heb je aan de majesteit van het purper,
ze vergaat immers?
Wat heb je aan de grootste overvloed,
want alles wat wij zien
moet toch verdwijnen?
Wat heb je aan de prikkeling van ijdele zinnen,
want ons lichaam zelf moet toch weg van hier?
Ach, hoe gemakkelijk maken
rijkdom, wellust, kracht,
de geest tot een hel!

3.     Aria (T)

Mijn Jezus moet mijn alles zijn.
Mijn purper is zijn dierbare bloed,
hijzelf is mijn allerhoogste goed,
en de liefdesgloed van zijn geest
is mijn allerzoetste vreugdewijn.

4.     Recitatief (T)

God brengt ten val en verhoogt
in tijd en eeuwigheid.
Wie in de wereld de hemel zoekt,
wordt daarginds vervloekt.
Maar wie hier de hel doorstaat,
wordt daarginds verblijd.

5. Aria (S)

Ik neem mijn lijden met vreugde op mij.
Wie de kwellingen van Lazarus
geduldig heeft verdragen,
die nemen de engelen tot zich.

6.     Recitatief (S)

Maar God schenkt een goed geweten,
waarmee een christen van iets kleins
met veel plezier kan genieten.
Ja, al leidt hij ons ook via lang lijden
naar de dood,
ten slotte is het toch welgedaan.

7.     Koraal

Wat God doet, dat is welgedaan;
ook al moet ik de beker drinken
die ik bitter waan,
ik laat me niet afschrikken,
want uiteindelijk
word ik verblijd
met zoete troost in mijn hart;
dan verdwijnen alle smarten.

8.     Sinfonia



9.     Recitatief (A)

Slechts één ding grieft
het hart van een christen:
als hij aan zijn geestelijke armoede denkt.
Het gelooft wel in Gods goedheid,
die alles nieuw maakt;
maar het mist de kracht
om het bovenaardse leven
te laten groeien en vrucht dragen.

10.     Aria (A)

Jezus maakt mij geestelijk rijk.
Als ik zijn geest kan ontvangen,
dan verlang ik verder niets meer;
want dan wordt mijn leven verrijkt.

11.     Recitatief (B)

Wie maar bij Jezus blijft,
zichzelf verloochent,
en zich in Gods liefde
gelovig oefent,
die heeft, als het aardse is verdwenen,
zichzelf en God gevonden.

12.     Aria (B)

Mijn hart gelooft en heeft lief.
Want de zoete vlammen van Jezus,
waaruit de mijne voortkomen,
spreiden zich over mij uit
omdat hij zichzelf aan mij schenkt.

13.     Recitatief (T)

O armoede, waar geen rijkdom aan kan tippen!
Als de hele wereld
uit het hart verdwijnt
en alleen Jezus regeert.
Dan wordt een christen naar God geleid!
Geef, God, dat wij het niet verspelen!

14.     Koraal

Wat God doet dat is welgedaan,
dat wil ik vasthouden;
al word ik op de ruwe weg
voortgejaagd door nood, dood en ellende,
God zal mij
heel vaderlijk
in zijn armen houden,
daarom laat ik hem maar regeren.


		Vertaling: Ria van Hengel