naar de bespreking van BWV 56

Ich will den Kreuzstab gerne tragen (BWV 56)

Johann Sebastian Bach

1.     Aria (B)

Ich will den Kreuzstab gerne tragen,Ik ben bereid de kruisstaf te dragen,
er kömmt von Gottes lieber Hand.hij komt van Gods liefdevolle hand.
Der führet mich nach meinen PlagenDie voert mij na al mijn bezoekingen
zu Gott in das gelobte Land.tot God in het beloofde land.
Da leg ich den Kummer auf einmal ins Grab,Dan leg ik mijn verdriet in één keer in het graf,
da wischt mir die Tränendan wist mijn Heiland zelf mijn tranen af.
mein Heiland selbst ab.

2.     Recitatief (B)

Mein Wandel auf der Welt Mijn levenstocht op deze wereld
ist einer Schifffahrt gleich: is als een scheepsreis:
Betrübnis, Kreuz und Not droefenis, kruis en nood
sind Wellen, welche mich bedecken zijn golven die mij bedekken
und auf den Tod en mij dagelijks
mich täglich schrecken; dodelijke angst aanjagen;
mein Anker aber, der mich hält, maar mijn anker, dat mij vasthoudt,
ist die Barmherzigkeit, is de barmhartigheid
womit mein Gott mich oft erfreut. waarmee mijn God mij vaak verblijdt.
Der rufet so zu mir: Hij roept zo tot mij:
Ich bin bei dir, Ik ben bij je,
ich will dich nicht verlassen noch versäumen! ik zal je niet verlaten en je mij niet laten ontgaan!
Und wenn das wütenvolle Schäumen sein Ende hat, En wanneer het woeste schuimen geëindigd is,
so tret ich aus dem Schiff in meine Stadt, dan stap ik uit het schip mijn stad binnen,
die ist das Himmelreich, die het Hemelrijk is,
wohin ich mit den Frommen waarheen ik met de vromen
aus vieler Trübsal werde kommen.na veel tegenspoed zal komen.

3.     Aria (B)

Endlich, endlich wird mein JochEindelijk, eindelijk zal mijn juk
wieder von mir weichen müssen.weer van mij moeten wijken.
Da krieg ich in dem Herren Kraft, Dan krijg ik kracht in de Heer,
da hab ich Adlers Eigenschaft, dan ben ik als de adelaar,
da fahr ich auf von dieser Erden dan stijg ik op van deze aarde
und laufe, sonder matt zu werden. en wandel zonder moe te worden.
O gescheh es heute noch! O, moge het vandaag nog gebeuren!

4.     Recitatief (B)

Ich stehe fertig und bereit,Ik sta klaar en ben bereid
das Erbe meiner Seligkeitom het erfdeel van mijn zaligheid
mit Sehnen und Verlangenmet smachten en verlangen
von Jesus Händen zu empfangen.uit Jezus' handen te ontvangen.
Wie wohl wird mir geschehn,Hoe gelukkig zal ik zijn
wenn ich den Port der Ruhe werde sehn:wanneer ik de haven van de vrede zal zien.
Da leg ich den Kummer auf einmal ins Grab,Dan leg ik mijn verdriet in één keer in het graf,
da wischt mir die Tränendan wist mijn Heiland
mein Heiland selbst ab.zelf mijn tranen af.

5.     Koraal

Komm, o Tod, du Schlafes Bruder,Kom, o dood, gij broeder van de slaap,
komm und führe mich nur fort;kom en voer mij maar weg;
löse meines Schiffleins Ruder,maak het roer van mijn scheepje los,
bringe mich an sichern Port.breng mij in veilige haven!
Es mag, wer da will, dich scheuen,Wie u ook moge schuwen,
du kannst mich vielmehr erfreuen;gij kunt mij verblijden;
denn durch dich komm ich hereinwant door u kom ik binnen
zu dem schönsten Jesulein.bij mijn allerdierbaarste Jezus.
  
Libretto: Christoph Birkmann Vertaling: Henk Pijlman

Kale tekst origineel

1.     Aria (B)

Ich will den Kreuzstab gerne tragen,
er kömmt von Gottes lieber Hand.
Der führet mich nach meinen Plagen
zu Gott in das gelobte Land.
Da leg ich den Kummer auf einmal ins Grab,
da wischt mir die Tränen
mein Heiland selbst ab.

2.     Recitatief (B)

Mein Wandel auf der Welt
ist einer Schifffahrt gleich:
Betrübnis, Kreuz und Not
sind Wellen, welche mich bedecken
und auf den Tod
mich täglich schrecken;
mein Anker aber, der mich hält,
ist die Barmherzigkeit,
womit mein Gott mich oft erfreut.
Der rufet so zu mir:
Ich bin bei dir,
ich will dich nicht verlassen noch versäumen!
Und wenn das wütenvolle Schäumen sein Ende hat,
so tret ich aus dem Schiff in meine Stadt,
die ist das Himmelreich,
wohin ich mit den Frommen
aus vieler Trübsal werde kommen.

3.     Aria (B)

Endlich, endlich wird mein Joch
wieder von mir weichen müssen.
Da krieg ich in dem Herren Kraft,
da hab ich Adlers Eigenschaft,
da fahr ich auf von dieser Erden
und laufe, sonder matt zu werden.
O gescheh es heute noch!

4.     Recitatief (B)

Ich stehe fertig und bereit,
das Erbe meiner Seligkeit
mit Sehnen und Verlangen
von Jesus Händen zu empfangen.
Wie wohl wird mir geschehn,
wenn ich den Port der Ruhe werde sehn:
Da leg ich den Kummer auf einmal ins Grab,
da wischt mir die Tränen
mein Heiland selbst ab.

5.     Koraal

Komm, o Tod, du Schlafes Bruder,
komm und führe mich nur fort;
löse meines Schiffleins Ruder,
bringe mich an sichern Port.
Es mag, wer da will, dich scheuen,
du kannst mich vielmehr erfreuen;
denn durch dich komm ich herein
zu dem schönsten Jesulein.


Libretto: Christoph Birkmann
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1.     Aria (B)

Ik ben bereid de kruisstaf te dragen,
hij komt van Gods liefdevolle hand.
Die voert mij na al mijn bezoekingen
tot God in het beloofde land.
Dan leg ik mijn verdriet in één keer in het graf,
dan wist mijn Heiland zelf mijn tranen af.

2.     Recitatief (B)

Mijn levenstocht op deze wereld
is als een scheepsreis:
droefenis, kruis en nood
zijn golven die mij bedekken
en mij dagelijks 
dodelijke angst aanjagen;
maar mijn anker, dat mij vasthoudt,
is de barmhartigheid
waarmee mijn God mij vaak verblijdt.
Hij roept zo tot mij:
Ik ben bij je,
ik zal je niet verlaten en je mij niet laten ontgaan!
En wanneer het woeste schuimen geëindigd is,
dan stap ik uit het schip mijn stad binnen,
die het Hemelrijk is,
waarheen ik met de vromen
na veel tegenspoed zal komen.

3.     Aria (B)

Eindelijk, eindelijk zal mijn juk
weer van mij moeten wijken.
   Dan krijg ik kracht in de Heer,
   dan ben ik als de adelaar,
   dan stijg ik op van deze aarde
   en wandel zonder moe te worden.
   O, moge het vandaag nog gebeuren!

4.     Recitatief (B)

Ik sta klaar en ben bereid
om het erfdeel van mijn zaligheid
met smachten en verlangen
uit Jezus' handen te ontvangen.
Hoe gelukkig zal ik zijn
wanneer ik de haven van de vrede zal zien.
Dan leg ik mijn verdriet in één keer in het graf,
dan wist mijn Heiland 
zelf mijn tranen af.

5.     Koraal

Kom, o dood, gij broeder van de slaap,
kom en voer mij maar weg;
maak het roer van mijn scheepje los,
breng mij in veilige haven!
Wie u ook moge schuwen,
gij kunt mij verblijden;
want door u kom ik binnen
bij mijn allerdierbaarste Jezus.


		Vertaling: Henk Pijlman