Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Hochzeits-Quodlibet (BWV 524)

Geschreven voor Bruiloft

Voor het eerst uitgevoerd: 1707?

Libretto: Anoniem

Totaal 2 delen, 1 koorwerk

Vertaling: Ria van Hengel

beluister

downloads uitleg

Bespreking

1. Koor

Steiß. stuitje.


Was seind das vor große Schlösser, Wat zijn dat toch voor kastelen
ie dort schwimmen auf der See die daar drijven op de zee
und erscheinen immer größer, en ze lijken steeds maar groter,
weil sie näher kommen her, nu ze naderen met z’n twee.
ist es Freund oder Feind, Is ‘t een vijand of een vriend,
oder wie ist es gemeint? ben ik hier wel van gediend?
Was muss ich von fern erblicken, Wat zie ik daar in de verte,
sagt mir, wer reit' dort herein? iemand met een rad, heel groot,
Trägt ein großes Rad am Rücken, op zijn rug moet hij het dragen,
der Henker muss gestorben sein! de beul is dus waarschijnlijk dood!
Ei, wie reit' der Kerl so dumm, Nou, wat rijdt die kerel stom,
hat einen Trauermantel um. hij heeft een rouwmantel om.


Ergo tanto instantius Dus hoe eerder wij ontvluchten
debemus fugere terrena, de aardse omstandigheden,
quanto velocius aufugiunt des te sneller zullen verdwijnen
caduca et vana. de nietig- en de ijdelheden.


Wer in Indien schiffen will, Wie naar Indië will varen,
find' bei mir der Schiffe viel, vindt bij mij, geen varensgast,
ich bin eben kein Schiffersflegel, allerhande mooie schepen,
brauche weder Mast noch Segel, zonder zeilen, zonder mast
wie man in dem Texel tut; zoals men dat op Texel doet,
denn ein Backtrog ist ebensogut. een baktrog is toch even goed?
Notabene Knisterbart, Notabene Ritselbaard,
was macht der Meister Schneider, wat doet die kleermaker daar?
mir plezt er meine Hosen, Hij lapt mijn broek en jasje op,
mir flickt er meine Kleider. ze zijn al bijna klaar.
Braucht man den Backtrog vor den Kahn, Vaar je in een baktrog uit,
ei, so kommt man übel an; dan zal ‘t je slecht vergaan,
dann man plumpt in den Teich so frisch je duikelt in de grote plas
und schwimmt darin wie ein Stockfisch, en drijft daar dan voortaan,
probatum est. Voortreffelijk.


O ihr Gedanken, O, gedachten,
warum quälet ihr meinen Geist? - Backtrog! - waarom kwellen jullie mijn geest? -baktrog!-
Warum wollet ihr wanken, waarom wankelen jullie
da mich die Hoffnung feste stehen heißt. terwijl ik sterk wil zijn en onbevreesd.
Ei, wie sieht die Salome Hé, kijk eens naar Salome,
so sauer um den Schnabel, ze lijkt wel in paniek,
darum, weil der Pferdeknecht dat komt doordat de paardenknecht
sie kitzelt mit der Gabel. haar kietelt met de riek.
Ei, wie frisst das Hausgesind Hé, wat wil het personeel
so gar viel Käs und Butter, veel kaas en boter eten,
wären sie Kälber gleich wie du, waren ze kalfjes zoals jij,
so fräßen sie das Futter. ze moesten voer gaan vreten.
Wenn man mit dem Spinnrad sitzt Zit je met je spinnewiel
auf einem großen Schimmel, op een grote schimmel,
reißen ihre Goschen auf word je, denk ik, aangegaapt
fast alle Bauerlümmel; door elke boerenlummel;
wenn man mit dem Spinnrad sitzt zit je met je spinnewiel
auf einem großen Fuchsen, op een grote sik,
kriegen vor Gelächter krijgen mensen van het lachen,
die Leute fast den Schlucksen; meestentijds de hik;
wenn man mit dem Spinnrad sitzt zit je met je spinnewiel
auf einem großen Rappen, op een grote ezel
ei, da will der Trauermantel past de rouwmantel niet jou,
gar nicht dazu klappen; maar een arme kwezel;
wenn man statt des Orlochschiffs wie in plaats van ‘t oorlogsschip
den Backtrog will gebrauchen, de baktrog wil gebruiken,
ach, da wird man alsobald die zal weldra als een snoek
in das Wasser wie die Plumphecht tauchen. in het water duiken.


Große Hochzeit, große Freuden, Grote bruiloft, grote vreugden,
große Degen große Scheiden; grote zonden, grote deugden;
große Richter, große Büttel, grote rechters, grote boeven,
große Hunde, große Knittel; grote ezels, grote hoeven;
große Väter, große Söhne, grote vaders, grote zonen,
große Goschen, große Zähne; grote hoofden, grote kronen;
große Pfeile, große Köcher, grote steden, grote straten,
große Nasen, große Löcher; grote neuzen, grote gaten;
große Herren, große Wappen, grote heren, grote huizen,
große Fässer, große Zappen; grote katten, grote muizen;
große Gerste, große Körner, grote velden, grote struiken,
große Köpfe, große Hörner; grote monden, grote buiken;
großer Hafer, große Trespen, grote riemen, grote gespen,
große Pferde, große Wespen; grote paarden, grote wespen;
große Weinberg, große Trauben, grote wijngaard, grote druiven,
große Weiber, große Hauben; grote vrouwen, grote huiven;
große Kugeln, große Kegel, grote ballen, grote kegels,
große Bauren, große Flegel; grote boeren, grote vlegels;
große Jungfern, große Kränze, grote maagden, grote kransen,
große Esel, große Schwänze; grote gokkers, grote kansen;
große Lachen, groß Gepatsche, groot geklap en groot geschater,
große Frauen, groß Geklatsche; grote eenden, groot gesnater;
große Klöppel, große Trummel, grote klokken, grote klepels,
große Wespen, große Hummel; grote vorken, grote lepels;
große Leinwand, große Bleiche, grote brillen, grote schrijvers,
große Backträg, große Teiche. grote baktrog, grote vijvers.


Ach, wie hat mich so betrogen Ach, wat heeft hij mij bedrogen
der sehr schlaue Cypripor. Cyprianus, slim voor tien,
Urschel, brenne mir ein Licht an, Ursula, steek eens een kaars aan
dass ich dabei sehen kann! zodat ik weer iets kan zien!
Willst du mir kein Licht anzünden, Doe je ‘t niet, dan vind ik jou
will ich dich wohl im Finstern finden. in het donker net zo gauw.
Ist gleich schlimm das Frauenzimmer, Hoe erg het vrouwmens ook mag zijn,
ist doch der Backtrog noch viel schlimmer! de baktrog is nog minder fijn!
Pantagruel war ein sehr lustiger Mann, Pantagruel was een vrolijk man,
und mancher Hofbedienter en menig hoveling
trägt blaue Strümpfe an, heeft blauwe kousen an,
und streifte man denen Füchsen en als je van de vossen
die Häutlein aus, de huidjes af zou stropen,
so gäb's viel nackigter Leute dan zouden in paleizen vaak
auf manchem Fürstenhaus. veel blote mensen lopen.
Wären denen Dukaten Als alle plekken bakkersschurft
die großen Krätzen gleich, gouden dukaten waren,
so wäre unser Nachbar dan had de buurman van hiernaast
viel Millionen reich. miljoenen kunnen sparen.
Mein Rücken ist noch stark, Mijn rug die is nog ijzersterk,
ich darf mich gar nicht klagen. ik mag gewoon niet klagen,
Du könntest, wie mich dünkt, ik kan, zo schat ik ongeveer,
wohl zwanzig Säcke tragen. wel twintig zakken dragen.
Das muss ein dummer Esel sein, Het moet een domme ezel zijn
der lieber Koffent säuft als Wein die liever biertjes zuipt dan wijn,
und in der kalten Stube schwitzt die thuis zit als een heremiet,
und statt des Schiffs im Backtrog sitzt! zijn baktrog voor een schip aanziet.
Punctum. Punt uit.


Dominus Johannes citatur Nu wordt de heer Johannes dus
ad Rectorem Magnificum ontboden bij de rector magnificus
hora pomeridiana secunda propter ancillam klokke twee om een meisje schoon
in corona aurea. dat werkt in café de Gouden Kroon.
Studenten seind sehr fröhlich, Studenten zijn erg vrolijk,
wie ihr alle wisst, dat is algemeen bekend,
solang ein blutiger Heller zolang er nog iets in hun beurs zit,
im Beutel übrig ist. al is het maar één cent.
Wär der Galgen Magnet Als de galg magnetisch was,
und der Schneider Eisen, en de kleermaker van ijzer,
wie mancher würde noch heute hoeveel mensen zouden niet
an den Galgen reisen! naar de galg toe reizen!
Wär ich König in Portugal, Als ik de koning van Portugal was,
was fragt ich darnach, dan liet ik het maar sloffen,
ein andrer möchte kippen een ander kon wat mij betreft
mit dem Backtrog in Bach. met zijn baktrog de beek in ploffen.
Bona dies, Meister Kürschner, Goedendag, bontwerkersman,
habt ihr keine Füchse mehr! hebt u geen vossen meer?
Ich verkauf sie alle nach Hofe, Ik verkoop ze allemaal aan het hof,
mein hochgeehrter Herr. hooggeachte heer.
Ich sahe eine Jungfer, Ik zag ereens een meisje,
die hat sehr stolz getan dat liep verwaand te praten,
und hat doch wohl bei Urbens maar naar alle waarschijnlijkheid
kein ganzes Hemde an! zat haar hemd vol gaten!
Mancher stellt sich freundlich Veel mensen komen heel poeslief,
mit feiner Zung met mooie praatjes aan,
Und denkt doch in dem Herzen maar diep van binnen denken ze:
wie Goldschmieds Jung. loop toch naar de maan.
In diesem Jahre haben wir Dit jaar hebben wij zowaar
zwei Sonnenfinsternissen, twee zonsverduisteringen,
und zu Breslau auf dem Keller en in Breslau in de kroeg
schenkt man guten Scheps, wordt lekker bier geschonken,
und in meinem Beutel en door kanker in mijn beurs
regiert der fressende Krebs. is de inhoud drastisch geslonken.
Hört ihr Herren allzugleich, Luister, heren, allemaal
was da geschehen in Österreich, naar wat er gebeurd is in Oldenzaal,
hört ihr Herren allerhand, Luister allemaal tegelijk,
was da geschehen in Brabant, naar wat er gebeurd is in Oostenrijk,
da hat geboren eine alte Frau een oude vrouw heeft, nooit gedacht,
eine junge Sau! een biggetje ter wereld gebracht!
Seid freundlich eingeladen U wordt hartelijk welkom geheten
zum Topfbraten! bij de stoofpot, smakelijk eten!
Ei, was ist das vor eine schöne Fuge!Hé, wat is dat een mooie fuga!

2. Toegift

Ich bin so lang nicht bei dir g'west, Ik ben al zo lang niet bij je geweest,
ruck her. kom hier.
Kraut und Rüben haben mich vertrieben De stamppot heeft me verdreven,
hätt' meine Mutter Fleisch gekocht had mijn moeder me vlees voorgezet,
wär' ich länger blieben. dan was ik wel langer gebleven.
Mein junges Leben hat ein End’. Aan mijn jonge leven komt een eind.
Was für Blödsinn ist dieses Schluβstück, Wat een onzin is dit slot,
Unsinn, Schwachsinn, Schmarrn, Schrott, nonsens, dwaasheid, kletspraat, kolder,
Müll und Spinnerei, hört auf! lariekoek, gezwam, hou op!
Pfui!Bah!