naar de bespreking van BWV 45

Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist (BWV 45)

Johann Sebastian Bach

1.     Koor

»Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist "Er is u gezegd, mens,
und was der Herr von dir fordert, wat goed is en wat de Heer van u verlangt,
nämlich: Gottes Wort halten namelijk: u aan Gods woord houden
und Liebe üben en liefde betonen
und demütig sein vor deinem Gott.«en ootmoedig zijn voor uw God."

2.    Recitatief (T)

Der Höchste läßt mich seinen Willen wissenDe Allerhoogste laat mij weten wat Zijn wil is
und was ihm wohlgefällt;en wat Hem welgevallig is;
er hat sein Wort zur Richtschnur dargestellt,Hij heeft Zijn woord tot richtsnoer gemaakt,
wornach mein Fuß soll sein geflissenwaarlangs mijn voet ijverig
allzeit einherzugehnaltijd moet gaan
mit Furcht, mit Demut und mit Liebemet ontzag, met ootmoed en met liefde
als Proben des Gehorsams, den ich übe,als proeve van de gehoorzaamheid, die ik be­toon
um als ein treuer Knecht dereinsten zu bestehn.om mij eens als een getrouwe knecht te bewij­zen.

3.     Aria (T)

Weiß ich Gottes Rechte,Wanneer ik weet wat Gods rechten zijn,
was ists, das mir helfen kann,wat kan mij dan helpen,
wenn er mir als seinem Knechtewanneer Hij mij als Zijn knecht
fordert scharfe Rechnung an?streng ter verantwoording roept.
Seele! denke dich zu retten,Ziel, wees erop bedacht je in veiligheid te bren­gen;
auf Gehorsam folget Lohn;op gehoorzaamheid volgt beloning;
Qual und Hohnsmart en smaad
drohet deinem Übertreten!dreigen wanneer je Zijn geboden overtreedt.

4.     Arioso (B)

»Es werden viele zu mir sagen an jenem Tage: "Velen zullen op die dag tot Mij zeggen:
Herr, haben wir nicht Heer, hebben wij niet
in deinem Namen geweissaget, in Uw naam geprofe­teerd,
haben wir nicht in deinem Namen hebben wij niet in Uw naam
Teufel ausgetrieben? duivels uitgedreven?
Haben wir nicht in deinem Namen Hebben wij niet in Uw naam
viel Taten getan? veel daden verricht?
Denn werde ich ihnen bekennen: Dan zal Ik hun openlijk zeggen:
Ich habe euch noch nie erkannt, Ik heb u nooit gekend,
weichet alle von mir, ihr Übeltäter!«gaat allen weg van Mij, gij boosdoe­ners!"

5.     Aria (A)

Wer Gott bekenntWie God erkent
aus wahrem Herzensgrund,uit de grond van zijn hart,
den will er auch bekennen.die wil Hij ook erkennen.
Denn der muß ewig brennen,Want hij moet eeuwig branden,
der einzig mit dem Munddie alleen met zijn mond
ihn Herren nennt.Hem Heer noemt.

6.     Recitatief (A)

So wird denn Herz und Mund Zo zullen dan mijn eigen hart en mond
selbst von mir Richter sein, rechter over mij zijn
und Gott will mir den Lohn en God zal mij het loon geven
nach meinem Sinn erteilen: dat bij mijn instelling past.
Trifft nun mein Wandel Wanneer nu mijn levenswandel
nicht nach seinen Worten ein, niet overeen­komstig Zijn woord is,
wer will hernach der Seelen Schaden heilen? wie zal hierna de schade aan mijn ziel herstel­len?
Was mach ich mir denn selber Hindernis? Waarom zorg ik dan zelf voor moeilijkheden?
Des Herren Wille muß geschehen, De wil van de Heer moet geschieden,
doch ist sein Beistand auch gewiß, maar hij zal er ook zeker bij helpen
daß er sein Werk durch mich dat Zijn werk
mög wohl vollendet sehen.door mij wordt voltooid.

7.     Koraal

Gib, daß ich tu mit Fleiß,Geef dat ik met ijver volbreng
was mir zu tun gebühret,wat ik behoor te doen,
worzu mich dein Befehlwaartoe Uw bevel mij
in meinem Stande führet!- voor zover ik daartoe in staat ben - opdracht geeft!
Gib, daß ichs tue bald,Geef dat ik het spoedig volbreng,
zu der Zeit, da ich soll;op het moment, dat ik het moet doen;
und wenn ichs tu, so gib,en wanneer ik het doe, geef dan,
daß es gerate wohl!dat het mij mag lukken!
  
Libretto: Ernst Ludwig I von Sachsen-Meiningen Vertaling: Henk Pijlman

Kale tekst origineel

1.     Koor

»Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist
und was der Herr von dir fordert, 
nämlich: Gottes Wort halten 
und Liebe üben
und demütig sein vor deinem Gott.«

2.    Recitatief (T)

Der Höchste läßt mich seinen Willen wissen
und was ihm wohlgefällt;
er hat sein Wort zur Richtschnur dargestellt,
wornach mein Fuß soll sein geflissen
allzeit einherzugehn
mit Furcht, mit Demut und mit Liebe
als Proben des Gehorsams, den ich übe,
um als ein treuer Knecht dereinsten zu bestehn.

3.     Aria (T)

Weiß ich Gottes Rechte,
was ists, das mir helfen kann,
wenn er mir als seinem Knechte
fordert scharfe Rechnung an?
Seele! denke dich zu retten,
auf Gehorsam folget Lohn;
Qual und Hohn
drohet deinem Übertreten!

4.     Arioso (B)

»Es werden viele zu mir sagen an jenem Tage: 
Herr, haben wir nicht 
in deinem Namen geweissaget,
haben wir nicht in deinem Namen 
Teufel ausgetrieben?
Haben wir nicht in deinem Namen 
viel Taten getan?
Denn werde ich ihnen bekennen:
Ich habe euch noch nie erkannt,
weichet alle von mir, ihr Übeltäter!«

5.     Aria (A)

Wer Gott bekennt
aus wahrem Herzensgrund,
den will er auch bekennen.
  Denn der muß ewig brennen,
  der einzig mit dem Mund
  ihn Herren nennt.

6.     Recitatief (A)

So wird denn Herz und Mund
selbst von mir Richter sein,
und Gott will mir den Lohn
nach meinem Sinn erteilen:
Trifft nun mein Wandel 
nicht nach seinen Worten ein,
wer will hernach der Seelen Schaden heilen?
Was mach ich mir denn selber Hindernis?
Des Herren Wille muß geschehen,
doch ist sein Beistand auch gewiß,
daß er sein Werk durch mich
mög wohl vollendet sehen.

7.     Koraal

Gib, daß ich tu mit Fleiß,
was mir zu tun gebühret,
worzu mich dein Befehl
in meinem Stande führet!
Gib, daß ichs tue bald,
zu der Zeit, da ich soll;
und wenn ichs tu, so gib,
daß es gerate wohl!


Libretto: Ernst Ludwig I von Sachsen-Meiningen
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1.     Koor

"Er is u gezegd, mens,
wat goed is en wat de Heer van u verlangt,
 namelijk: u aan Gods woord houden 
en liefde betonen 
en ootmoedig zijn voor uw God."

2.    Recitatief (T)

De Allerhoogste laat mij weten wat Zijn wil is
en wat Hem welgevallig is;
Hij heeft Zijn woord tot richtsnoer gemaakt,
waarlangs mijn voet ijverig
altijd moet gaan
met ontzag, met ootmoed en met liefde
als proeve van de gehoorzaamheid, die ik be­toon
om mij eens als een getrouwe knecht te bewij­zen.

3.     Aria (T)

Wanneer ik weet wat Gods rechten zijn,
wat kan mij dan helpen,
wanneer Hij mij als Zijn knecht
streng ter verantwoording roept.
Ziel, wees erop bedacht je in veiligheid te bren­gen;
op gehoorzaamheid volgt beloning;
smart en smaad
dreigen wanneer je Zijn geboden overtreedt.

4.     Arioso (B)

"Velen zullen op die dag tot Mij zeggen:
Heer, hebben wij niet 
in Uw naam geprofe­teerd,
hebben wij niet in Uw naam 
duivels uitgedreven?
Hebben wij niet in Uw naam 
veel daden verricht?
Dan zal Ik hun openlijk zeggen:
Ik heb u nooit gekend,
gaat allen weg van Mij, gij boosdoe­ners!"

5.     Aria (A)

Wie God erkent
uit de grond van zijn hart,
die wil Hij ook erkennen.
Want hij moet eeuwig branden,
die alleen met zijn mond
Hem Heer noemt.

6.     Recitatief (A)

Zo zullen dan mijn eigen hart en mond
rechter over mij zijn
en God zal mij het loon geven
dat bij mijn instelling past.
Wanneer nu mijn levenswandel
niet overeen­komstig Zijn woord is,
wie zal hierna de schade aan mijn ziel herstel­len?
Waarom zorg ik dan zelf voor moeilijkheden?
De wil van de Heer moet geschieden,
maar hij zal er ook zeker bij helpen
dat Zijn werk
door mij wordt voltooid.

7.     Koraal

Geef dat ik met ijver volbreng
wat ik behoor te doen,
waartoe Uw bevel mij
- voor zover ik daartoe in staat ben - opdracht geeft!
Geef dat ik het spoedig volbreng,
op het moment, dat ik het moet doen;
en wanneer ik het doe, geef dan,
dat het mij mag lukken!


		Vertaling: Henk Pijlman