Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Sie werden euch in den Bann tun I (BWV 44)

Geschreven voor Zondag Exaudi

Voor het eerst uitgevoerd: 21 mei 1724

Solisten SATB koor SATB orkest str ob1,2 cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Leo de Leeuw

Deze cantate werd de afgelopen jaren vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Twee cantates zijn ons van Bach overgeleverd voor Zondag Exaudi, de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, ook 'Wezenzondag' genoemd, want Jezus heeft zijn discipelen zojuist verlaten en pas met Pinksteren zal de beloofde Heilige Geest tot hen komen. Beide Exaudi-cantates, geschreven in resp. 1724 (BWV 44) en 1725 (BWV 183), hebben de grimmige titel Sie werden euch in den Bann tun, een citaat uit de evangelielezing voor deze zondag (Johannes 15: 26 - 16: 4), waarin Christus zijn volgelingen waarschuwt voor hun lot als gelovigen in een wereld die hem afwijst; en ‘verbannen' betekent dan ‘verstoten uit de synagoge', excommunicatie. Maar behalve hun titel hebben beide cantates weinig gemeen.

Opmerkelijk aan BWV 44 is dat Bach het evangelievers waarmee de meeste cantates uit zijn eerste Leipziger jaar beginnen, in dit geval Johannes 16: 2, verdeelt over een duet (1) en een koor (2).

1. Duet (T, B)

tenor, bas, hobo 1/2, continuo

»Sie werden euch in den Bann tun.«Ze zullen u in de ban doen.
beluister: Koopman

De tekst van het eerste zinsdeel, een onmiskenbaar Jezuswoord, wordt in het openingsduet (1) vertolkt door bas en tenor, een tweestemmige Vox Christi, in een kwintet met twee hobo's en continuo (con fagotto). Ter inleiding klinkt een elf maten lange canon (‘in de kwint') van de twee hobo's; het gebruik van de canon als strengste polyfone techniek verwijst hier naar de onverbiddelijkheid van het geschetste perspectief, de drie herhaalde kwartnoten van het thema klinken als een vermanende wijsvinger, terwijl een dreigende sfeer wordt opgeroepen door schrille harmonieën: overmatige intervallen, none-akkoorden, waardoor bijvoorbeeld tegelijk de noten B, C, D en Es kunnen klinken (m. 34). Dit lijkt mij daarom geen Klagesang, zoals Dürr stelt, maar een onheilspellende sfeertekening van kille vervolging.

De inleidende triosonate verbreedt zich tot een kwintet wanneer (vanaf maat 23) bas en tenor hun tekst in canon vertolken op de voormalige noten van de twee hobo's. Ze verwerken de tekst nog een tweede keer (m. 42), waarbij de tenor  in de canon het voortouw neemt. Tenslotte (m. 57) herhalen zangers en instrumentalisten gezamenlijk het inleidende (instrumentale) ritornel, met een bijzondere vorm van ‘koorinbouw': in de eerste elf maten zingen bas en tenor de hobocanon, daarna volstaan zij met een begeleidende rol.

2. Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, continuo

»Es kömmt aber die Zeit, daß,Maar de tijd komt
wer euch tötet, wird meinen,dat wie jullie doodt zal menen
er tue Gott einen Dienst daran.«God een dienst te bewijzen.
beluister: Koopman

Met een korte instrumentale afronding (waarin het thema éénmaal in het continuo klinkt) volgt direct aansluitend (attacca) het koor (2) op het tweede deel van de titeltekst, in een nieuwe maatsoort (4/4), een vrijere homofone stijl en een andere bezetting: continuo en strijkers, waarvan de eerste twee partijen door de hobo's versterkt worden. Met een door allen gesteunde, furieuze kreet van de sopraan, 'Es kömmt', opent een koor van nerveuze vervolgden, opgejaagd door voortdurend grommende zestiendennoten van het continuo. De tekst wordt haperend, in brokstukken gezongen, het töten klinkt aanvankelijk maar angstig-fluisterend (piano); het wordt geharmoniseerd met een chromatisch, in halve tonen dalende (lamento-)bas (m. 6, 18 en 29). De baszanger volgt de sopraan in een korte canon op Er tue, het praatje gaat van mond tot mond, en bij de tweede doorloop van de tekst andersom, van bas naar sopraan. Wanneer de tekst ten derden male wordt doorgenomen ontstaat een geordende maar harmonisch verbijsterende vierstemmige canon.

3. Aria (A)

alt, hobo 1, continuo

Christen müssen auf der ErdenChristenen moeten op aarde
Christi wahre Jünger sein.ware discipelen van Christus zijn.
Auf sie warten alle Stunden,Op hen wachten alle uren
bis sie selig überwundentotdat zij zalig hebben overwonnen
Marter, Bann und schwere Pein.marteling, ban en zware pijn.
beluister: Koopman

In een serene triosonate met de hobo aanvaardt de alt (3), schuchter, dat het volgen van Christus hem/haar aan vervolging blootstelt. In de continuogroep schrijft Bach weer expliciet de fagot voor. De bezonken en ontspannen sfeer wordt in het middendeel even doorbroken met scherpe harmonische accenten op Marter, Bann en Pein; onder het lang uitgesponnen Bann daalt de bas over meer dan twee octaven naar zijn absolute dieptepunt C. Het stuk is, evenals aria (6) een gave da-capoaria, waarvan het A-deel ongewijzigd wordt herhaald.

4. Aria (T)

tenor, continuo

Ach Gott, wie manches HerzeleidAch God, zo veel diepe smart
begegnet mir zu dieser Zeit!overkomt mij in deze tijd.
Der schmale Weg ist trübsalvoll,De smalle weg die ik moet gaan
den ich zum Himmel wandern soll.naar de hemel is ellendig.
beluister: Koopman

Met het koraal (4) maakt de tenor zich tot tolk van de christelijke gemeente als hij zijn ellendige (trübsalvolle) levensweg beklaagt, met de tekst van Martin Mollers lied Ach Gott, wie manches Herzeleid (1587), op de melodie van Herr Jesu Christ, meins Lebens Licht.

De vier koraalregels van de tenor worden begeleid door een zevenmaal herhaalde (ostinate) baslijn van het continuo; daarin verbeelden de voortdurend stappende achtsten natuurlijk de gang langs het levenspad, terwijl het melodische motief is afgeleid van de eerste regel van de koraalmelodie, waarvan de intervallen zijn opgevuld met chromatische (halve-toons) gangen (zie muziekvoorbeeld) als gebruikelijke uitdrukking van lijden en pijn. (Deze koraalbewerking behoort tot de experimenten c.q. vingeroefeningen die Bach in zijn eerste cantatejaargang doet om koralen in cantates te verwerken; zij is van die reeks ook de laatste, want de komende Pinksterdagen zal Bach zich behelpen met bewerkingen van ouder werk en na Pinksteren zal hij beginnen met zijn fameuze koraalcantatejaargang waarvan de eerste exemplaren op 21 mei 1724 ongetwijfeld al in de grondverf stonden.)

5. Recitatief (B)

bas, continuo

Es sucht der Antichrist,De anti-christ,
das große Ungeheuer,dat grote monster,
mit Schwert und Feuerprobeert te vuur en te zwaard
die Glieder Christi zu verfolgen,de lidmaten van Christus te vervolgen,
weil ihre Lehre ihm zuwider ist.omdat hun leer hem tegenstaat.
Er bildet sich dabei wohl ein,Hij beeldt zich daarbij waarschijnlijk in,
es müsse sein Tun Gott gefällig sein.dat zijn handelen God welgevallig is.
Allein, es gleichen Christen denen Palmenzweigen,Alleen: christenen lijken op die palmtakken
die durch die Last nur desto höher steigen.die zich onder het gewicht alleen maar des te hoger opheffen.
beluister: Koopman

Basrecitatief (5), door louter continuo begeleid, vormt het keerpunt in de cantate. Nog éénmaal schetst de bas de verschrikkingen van het antichristelijke monster (Ungeheuer) met enkele wrange verminderde akkoorden op -heuer en Feuer. Hij releveert ook nog eens de gedachte uit de bijbeltekst (2) dat die tegenstanders menen God daarmee een dienst te bewijzen. Maar hij verzekert dat christenen daar wel wel tegen kunnen, onder aanroeping van  het in de barok gangbare beeld (zie afbeelding) van palmen die onder druk, door stenen verzwaard, des te rechter en steviger groeien: "Palma sub pondere crescit".

6. Aria (S)

sopraan, strijkers, hobo 1/2, continuo

Es ist und bleibt der Christen Trost,Het is en blijft de troost van de christenen
daß Gott vor seine Kirche wacht.dat God over zijn kerk waakt.
Denn wenn sich gleich die Wetter türmen,Want ook al pakt het noodweer zich samen,
so hat doch nach den Trübsalstürmenna alle stormen van ellende
die Freudensonne bald gelacht.zal toch de zon van de vreugde hen toelachen.
beluister: Koopman

Daarop kan de sopraan opgelucht en vertrouwensvol aan de laatste aria (6) beginnen. Opnieuw een volledige da-capoaria, begeleid door strijkers en de twee hobo's die colla parte met de twee vioolpartijen meespelen. Terwijl de sopraan aan het slot van een cantate meestal een lyrische aria heeft, is de tekst hier nogal belerend. Boven een rustig voortstappende continuobas (con fagotto) ontplooit zich een arcadisch tafereeltje, in warme, verzadigde harmonieën, op het ritme van een gavotte. Karakteristiek zijn de voortdurend dansende triolen van de violen: pas aan het slot van het middendeel geeft de sopraan er betekenis aan: die Freudensonne lacht. Alleen het middendeel herinnert nog realistisch aan het dreigende ongemak, met rommelende, repeterende basnoten en zich in parallelle kwart-sextakkoorden opstapelend (türmende) noodweer. (Na zes weken zonder substantiële sopraansolo's schrijft Bach in deze cantate voor het eerst weer een sopraanaria; hij was blijkbaar met Pasen zijn sopraansolist kwijtgeraakt en diens opvolger moest opgeleid worden.)

7. Koraal

tutti

So sei nun, Seele, deineDaarom, mijn ziel, wees jezelf
und traue dem alleine,en vertrouw alleen op hem
der dich erschaffen hat.die je geschapen heeft.
Es gehe, wie es gehe:Hoe het ook gaat,
dein Vater in der Höhe,je Vader in den hoge,
der weiß zu allen Sachen Rat.die weet op alle dingen raad.
beluister: Koopman

Met het slotkoraal (7) bevestigt de gemeente haar godsvertrouwen, met een strakke, onversierde harmonisering van het laatste couplet van Paul Flemings lied In allen meinen Taten laß ich den Höchsten raten. De melodie gaat terug op het liedje Innsbruck ich muß dich lassen, door Heinrich Isaac (1450-1517) gecomponeerd of  van de straat opgepikt, dat via het O Welt, ich muß dich lassen (1555) in de kerkmuziek verscheen, en o.m. dienst deed voor Paul Gerhardts O Welt, sieh hier dein Leben (1648), waarvan coupletten terecht kwamen in de Matthäus-Passion (nrs. 10 & 37) en de Johannes-Passion (nr. 11).