naar de bespreking van BWV 38

Aus tiefer Not schrei ich zu dir (BWV 38)

Johann Sebastian Bach

1. Koor

Aus tiefer Not schrei ich zu dir,UIt diepe nood schreeuw ik tot u,
Herr Gott, erhör mein Rufen;Heer God, verhoor mijn roepen,
dein gnädig Ohr' neig her zu mirlaat uw genadige oor zich naar mij neigen
und meiner Bitt sie öffne!en zich openen voor mijn gebed!
Denn so du willt das sehen an,Want als u zou willen kijken naar
was Sünd und Unrecht ist getan,de zonde en het onrecht dat gepleegd is,
wer kann, Herr, vor dir bleiben?wie kan dan, Heer, voor u staande blijven?

2. Recitatief (A)

In Jesu Gnade wird alleinAlleen in Jezus' genade zal er voor ons
der Trost vor uns und die Vergebung sein,troost en vergeving zijn,
weil durch des Satans Trug und Listomdat door Satans bedrog en list
der Menschen ganzes Lebenhet hele leven van de mensen
vor Gott ein Sündengreuel ist.voor God een zondengruwel is.
Was könnte nunWat zou er nu vreugde kunnen geven
die Geistesfreudigkeit zu unserm Beten geben,aan ons bidden als Jezus' geest en woord
wo Jesu Geist und Wort nicht neue Wunder tun?geen nieuwe wonderen deden?

3. Aria (T)

Ich höre mitten in den LeidenIk hoor midden in mijn lijden
ein Trostwort, so mein Jesus spricht.een troostwoord dat mijn Jezus spreekt.
Drum, o geängstigtes Gemüte, Daarom, o angstig hart,
vertraue deines Gottes Güte, vertrouw op Gods goedheid,
sein Wort besteht und fehlet nicht, zijn woord staat vast en faalt niet,
sein Trost wird niemals von dir scheiden! zijn troost zal je nooit verlaten!

4. Recitatief (S)

Ach! daß mein Glaube noch so schwach,Ach! hoe zwak is mijn geloof nog
und daß ich mein Vertrauenen hoezeer moet ik mijn vertrouwen
auf feuchtem Grunde muß erbauen!op vochtige grond bouwen!
Wie ofte müssen neue ZeichenHoe dikwijls moeten nieuwe tekenen
mein Herz erweichen?mijn hart verzachten!
Wie? kennst du deinen Helfer nicht,Wat? ken je je helper dan niet,
der nur ein einzig Trostwort spricht,die maar één troostwoord hoeft te spreken
und gleich erscheint,of daar verschijnt meteen,
eh deine Schwachheit es vermeint,nog voordat je zwakheid het vermoedt,
die Rettungsstunde.het uur van de redding.
Vertraue nur der AllmachtshandVertrouw alleen maar op de hand van de Almachtige
und seiner Wahrheit Munde!en op de mond van zijn waarheid!

5. Aria / Terzet) (S, A, B)

Wenn meine Trübsal als mit KettenWanneer mijn ellende als met kettingen
ein Unglück an dem andern hält,de ene ramp aan de andere smeedt,
so wird mich doch mein Heil erretten,dan zal mijn Heil mij toch redden,
daß alles plötzlich von mir fällt.zodat alles plotseling van mij af valt.
Wie bald erscheint des Trostes MorgenHoe snel verschijnt de morgen van de troost
auf diese Nacht der Not und Sorgen!na deze nacht van nood en zorgen!

6. Koraal

Ob bei uns ist der Sünden viel,Al zijn er bij ons veel zonden,
bei Gott ist viel mehr Gnade;bij God is veel meer genade,
sein Hand zu helfen hat kein Ziel,aan zijn helpende hand komt geen einde,
wie groß auch sei der Schade.hoe groot het gebrek ook is.
Er ist allein der gute Hirt,Alleen hij is de goede herder,
der Israel erlösen wirddie Israël zal verlossen
aus seinen Sünden allen.van al zijn zonden.
  
Libretto: Andreas Stübel (?) Vertaling: Ria van Hengel

Kale tekst origineel

1. Koor

Aus tiefer Not schrei ich zu dir,
Herr Gott, erhör mein Rufen;
dein gnädig Ohr' neig her zu mir
und meiner Bitt sie öffne!
Denn so du willt das sehen an,
was Sünd und Unrecht ist getan,
wer kann, Herr, vor dir bleiben?



2. Recitatief (A)

In Jesu Gnade wird allein
der Trost vor uns und die Vergebung sein,
weil durch des Satans Trug und List
der Menschen ganzes Leben
vor Gott ein Sündengreuel ist.
Was könnte nun
die Geistesfreudigkeit zu unserm Beten geben,
wo Jesu Geist und Wort nicht neue Wunder tun?

3. Aria (T)

Ich höre mitten in den Leiden
ein Trostwort, so mein Jesus spricht.
  Drum, o geängstigtes Gemüte,
  vertraue deines Gottes Güte,
  sein Wort besteht und fehlet nicht,
  sein Trost wird niemals von dir scheiden!

4. Recitatief (S)

Ach! daß mein Glaube noch so schwach,
und daß ich mein Vertrauen
auf feuchtem Grunde muß erbauen!
Wie ofte müssen neue Zeichen
mein Herz erweichen?
Wie? kennst du deinen Helfer nicht,
der nur ein einzig Trostwort spricht,
und gleich erscheint,
eh deine Schwachheit es vermeint,
die Rettungsstunde.
Vertraue nur der Allmachtshand
und seiner Wahrheit Munde!

5. Aria / Terzet) (S, A, B)

Wenn meine Trübsal als mit Ketten
ein Unglück an dem andern hält,
so wird mich doch mein Heil erretten,
daß alles plötzlich von mir fällt.
Wie bald erscheint des Trostes Morgen
auf diese Nacht der Not und Sorgen!

6. Koraal

Ob bei uns ist der Sünden viel,
bei Gott ist viel mehr Gnade;
sein Hand zu helfen hat kein Ziel,
wie groß auch sei der Schade.
Er ist allein der gute Hirt,
der Israel erlösen wird
aus seinen Sünden allen.


Libretto: Andreas Stübel (?)
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1. Koor

UIt diepe nood schreeuw ik tot u,
Heer God, verhoor mijn roepen,
laat uw genadige oor zich naar mij neigen
en zich openen voor mijn gebed!
Want als u zou willen kijken naar
de zonde en het onrecht dat gepleegd is,
wie kan dan, Heer, voor u staande blijven?

2. Recitatief (A)

Alleen in Jezus' genade zal er voor ons
troost en vergeving zijn,
omdat door Satans bedrog en list
het hele leven van de mensen
voor God een zondengruwel is.
Wat zou er nu vreugde kunnen geven
aan ons bidden als Jezus' geest en woord
geen nieuwe wonderen deden?

3. Aria (T)

Ik hoor midden in mijn lijden
een troostwoord dat mijn Jezus spreekt.
   Daarom, o angstig hart,
   vertrouw op Gods goedheid,
   zijn woord staat vast en faalt niet,
   zijn troost zal je nooit verlaten!

4. Recitatief (S)

Ach! hoe zwak is mijn geloof nog
en hoezeer moet ik mijn vertrouwen
op vochtige grond bouwen!
Hoe dikwijls moeten nieuwe tekenen
mijn hart verzachten!
Wat? ken je je helper dan niet,
die maar één troostwoord hoeft te spreken
of daar verschijnt meteen,
nog voordat je zwakheid het vermoedt,
het uur van de redding.
Vertrouw alleen maar op de hand van de Almachtige
en op de mond van zijn waarheid!

5. Aria / Terzet) (S, A, B)

Wanneer mijn ellende als met kettingen
de ene ramp aan de andere smeedt,
dan zal mijn Heil mij toch redden,
zodat alles plotseling van mij af valt.
Hoe snel verschijnt de morgen van de troost
na deze nacht van nood en zorgen!

6. Koraal

Al zijn er bij ons veel zonden,
bij God is veel meer genade,
aan zijn helpende hand komt geen einde,
hoe groot het gebrek ook is.
Alleen hij is de goede herder,
die Israël zal verlossen
van al zijn zonden.


		Vertaling: Ria van Hengel