naar de bespreking van BWV 32

Liebster Jesu, mein Verlangen (BWV 32)

Johann Sebastian Bach

1. Aria (S)

Liebster Jesu, mein Verlangen,Liefste Jezus, mijn verlangen,
sage mir, wo find ich dich?zeg mij, waar kan ik je vinden?
Soll ich dich so bald verlierenMoet ik je zo gauw verliezen,
und nicht ferner bei mir spüren?je niet langer bij me hebben?
Ach! mein Hort, erfreue mich,Ach, mijn schat, maak mij blij,
laß dich höchst vergnügt umfangen.laat mij jou verrukt omhelzen.

2. Recitatief (B)

»Was ists, daß du mich gesuchet? Waarom heb je naar mij gezocht?
Weißt du nicht, daß ich sein muß Weet je niet, dat ik moet zijn
in dem, das meines Vaters ist?«in wat van mijn Vader is?

3. Aria (B)

Hier, in meines Vaters Stätte,Hier, in het huis van mijn Vader,
findt mich ein betrübter Geist.vindt mij wie van streek is.
Da kannst du mich sicher findenDaar kun je mij zeker vinden
und dein Herz mit mir verbinden,en je geheel met mij verbinden,
weil dies meine Wohnung heißt.omdat dit mijn woning heet.

4. Recitatief (S, B)

(S) Ach! heiliger und großer Gott, (S) Ach! heilige en grote God,
so will ich mir denn hier bei dir dan wil ik hier bij u
beständig Trost und Hülfe suchen. voor altijd troost en hulp zoeken.
(B) Wirst du den Erdentand verfluchen (B) Als je het aardse gebeuzel afzweert
und nur in diese Wohnung gehn, en enkel deze woning binnengaat,
so kannst du hier und dort bestehn. dan kun je blijven bestaan, hier en daarginds.
(S) Wie lieblich ist doch deine Wohnung, (S) Hoe lieflijk is toch uw woning,
Herr, starker Zebaoth; Heer, sterke God van de hemelse machten;
mein Geist verlangt mijn ziel smacht
nach dem, was nur in deinem Hofe prangt. naar wat enkel in uw hof pronkt.
Mein Leib und Seele freuet sich Mijn lichaam en mijn ziel verheugen zich
in dem lebendgen Gott: in de levende God:
Ach! Jesu, meine Brust liebt dich nur ewiglich. Ach! Jezus, mijn hart mint u voor eeuwig.
(B) So kannst du glücklich sein, (B) Je kunt dan ook gelukkig zijn wanneer
wenn Herz und Geist van hart en geest gezegd mag worden
aus Liebe gegen mich entzündet heißt. dat ze uit liefde voor mij ontvlamd zijn.
(S) Ach! dieses Wort, das itzo schon (S) Ach! dit woord, dat nu al
mein Herz aus Babels Grenzen reißt, mijn hart losrukt uit Babels grenzen,
faß ich mir andachtsvoll in meiner Seele ein.neem ik eerbiedig in mijn ziel op.

5. Aria / Duet (S, B)

Nun verschwinden alle Plagen, Nu verdwijnen alle plagen,
nun verschwindet Ach und Schmerz. nu verdwijnen jammer en pijn.
(S) Nun will ich nicht von dir lassen, Nu wil ik u niet verlaten,
(B) und ich dich auch stets umfassen. Ik zal jou ook steeds omarmen
(S) Nun vergnüget sich mein Herz Nu is mijn hart opgewekt
(B) und kann voller Freude sagen: en kan het vol vreugde zeggen
(beiden) Nun verschwinden alle Plagen, Nu verdwijnen alle plagen,
nun verschwindet Ach und Schmerz!nu verdwijnen jammer en pijn!

6. Koraal

Mein Gott, öffne mir die PfortenMijn God, open voor mij de poorten
solcher Gnad und Gütigkeit,van die genade en goedheid;
Laß mich allzeit allerortenlaat mij altijd en overal
schmecken deine Süßigkeit!uw zoetheid smaken!
Liebe mich und treib mich an,Heb mij lief en spoor mij aan,
daß ich dich, so gut ich kann,dat ik van mijn kant u,
wiederum umfang und liebezo goed ik kan, omarm en liefheb
und ja nun nicht mehr betrübe.en u nooit meer bedroef.
  
Libretto: Georg Christian Lehms Vertaling: Jaap van der Laan

Kale tekst origineel

1. Aria (S)

Liebster Jesu, mein Verlangen,
sage mir, wo find ich dich?
Soll ich dich so bald verlieren
und nicht ferner bei mir spüren?
Ach! mein Hort, erfreue mich,
laß dich höchst vergnügt umfangen.

2. Recitatief (B)

»Was ists, daß du mich gesuchet? 
Weißt du nicht, daß ich sein muß 
in dem, das meines Vaters ist?«

3. Aria (B)

Hier, in meines Vaters Stätte,
findt mich ein betrübter Geist.
  Da kannst du mich sicher finden
  und dein Herz mit mir verbinden,
  weil dies meine Wohnung heißt.

4. Recitatief (S, B)

(S) Ach! heiliger und großer Gott,
so will ich mir denn hier bei dir
beständig Trost und Hülfe suchen.
(B) Wirst du den Erdentand verfluchen
und nur in diese Wohnung gehn,
so kannst du hier und dort bestehn.
(S) Wie lieblich ist doch deine Wohnung,
Herr, starker Zebaoth;
mein Geist verlangt
nach dem, was nur in deinem Hofe prangt.
Mein Leib und Seele freuet sich
in dem lebendgen Gott:
Ach! Jesu, meine Brust liebt dich nur ewiglich.
(B) So kannst du glücklich sein,
wenn Herz und Geist
aus Liebe gegen mich entzündet heißt.
(S) Ach! dieses Wort, das itzo schon
mein Herz aus Babels Grenzen reißt,
faß ich mir andachtsvoll in meiner Seele ein.

5. Aria / Duet (S, B)

Nun verschwinden alle Plagen,
nun verschwindet Ach und Schmerz.
(S) Nun will ich nicht von dir lassen,
(B) und ich dich auch stets umfassen.
(S) Nun vergnüget sich mein Herz
(B) und kann voller Freude sagen:
(beiden) Nun verschwinden alle Plagen,
nun verschwindet Ach und Schmerz!

6. Koraal

Mein Gott, öffne mir die Pforten
solcher Gnad und Gütigkeit,
Laß mich allzeit allerorten
schmecken deine Süßigkeit!
Liebe mich und treib mich an,
daß ich dich, so gut ich kann,
wiederum umfang und liebe
und ja nun nicht mehr betrübe.


Libretto: Georg Christian Lehms
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1. Aria (S)

Liefste Jezus, mijn verlangen,
zeg mij, waar kan ik je vinden?
Moet ik je zo gauw verliezen,
je niet langer bij me hebben?
Ach, mijn schat, maak mij blij,
laat mij jou verrukt omhelzen.

2. Recitatief (B)

Waarom heb je naar mij gezocht?
Weet je niet, dat ik moet zijn
in wat van mijn Vader is?

3. Aria (B)

Hier, in het huis van mijn Vader,
vindt mij wie van streek is.
Daar kun je mij zeker vinden
en je geheel met mij verbinden,
omdat dit mijn woning heet.

4. Recitatief (S, B)

(S) Ach! heilige en grote God,
dan wil ik hier bij u
voor altijd troost en hulp zoeken.
(B) Als je het aardse gebeuzel afzweert
en enkel deze woning binnengaat,
dan kun je blijven bestaan, hier en daarginds.
(S) Hoe lieflijk is toch uw woning,
Heer, sterke God van de hemelse machten;
mijn ziel smacht
naar wat enkel in uw hof pronkt.
Mijn lichaam en mijn ziel verheugen zich
in de levende God:
Ach! Jezus, mijn hart mint u voor eeuwig.
(B) Je kunt dan ook gelukkig zijn wanneer
van hart en geest gezegd mag worden
dat ze uit liefde voor mij ontvlamd zijn.
(S) Ach! dit woord, dat nu al
mijn hart losrukt uit Babels grenzen,
neem ik eerbiedig in mijn ziel op.

5. Aria / Duet (S, B)

Nu verdwijnen alle plagen,
nu verdwijnen jammer en pijn.
Nu wil ik u niet verlaten,
Ik zal jou ook steeds omarmen
Nu is mijn hart opgewekt
en kan het vol vreugde zeggen
Nu verdwijnen alle plagen,
nu verdwijnen jammer en pijn!

6. Koraal

Mijn God, open voor mij de poorten
van die genade en goedheid;
laat mij altijd en overal
uw zoetheid smaken!
Heb mij lief en spoor mij aan,
dat ik van mijn kant u,
zo goed ik kan, omarm en liefheb
en u nooit meer bedroef.


		Vertaling: Jaap van der Laan