Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Oster-Oratorium: Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße (BWV 249)

Geschreven voor Eerste Paasdag

Voor het eerst uitgevoerd: 1 apr 1725

Libretto: Christian Friedrich Henrici (alias Picander)

Solisten SATB koor SATB orkest str fl1,2 trav ob1,2 obd'am trp1-3 timp cont

Totaal 11 delen, 2 koorwerken

Vertaling: Ria van Hengel

Deze cantate werd de afgelopen jaren heel vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Bachs paasoratorium kreeg zijn uiteindelijke vorm pas na een voorgeschiedenis van wijzigingen en uitvoeringen die zich over bijna 25 jaar uitstrekt. Pas in Bachs geheel opnieuw uitgeschreven partituur van rond 1738 kreeg het de titel 'Oratorium', die het deelt met de eveneens in de jaren ‘30 gecomponeerde Weihnachts- en Himmelfahrts-oratoria, maar het verdient deze benaming slechts ternauwernood, want aan dit elfdelige stuk ligt weliswaar een bijbelse handeling ten grondslag (de ontdekking van Christus' lege graf door de discipelen Petrus (T) en Johannes (B) en de vrouwen Maria Magdalena (A) en Maria, de moeder van Jacobus (S)), maar over dit gebeuren wordt niet (zoals in de andere oratoria, en de passies) verslag gedaan door een Evangelist die de bijbeltekst in Luthers vertaling volgt, maar in vrij gedichte recitatiefteksten uit de mond van de vier handelende personen zelf, op basis van wat de verschillende evangeliën - soms tegenstrijdig - daarover berichten. Als werk waarin de handeling niet wordt verteld maar geacteerd door betrokkenen lijkt het daarom op een naar de opera verwijzend religieus Dramma per Musica en moet je het plaatsen in de oude middeleeuwse traditie van de Passie- en Paasspelen, waar Luther trouwens niet zo van gediend was. Nog een opmerkelijk kenmerk: de verrezen Christus, die na zijn opstanding uit de dood toch volgens de evangelisten bij diverse gelegenheden zijn discipelen weer ontmoet, komt niet in het stuk voor.

De eerste versie van Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße werd uitgevoerd op 1 april 1725 en was toen een ‘parodie' (d.w.z. zelfde muziek, nieuwe tekst) van de dramatische gelukwenscantate Entfliehet, verschwindet, entweichet, ihr Sorgen(BWV 249a),, die Bach vijf weken eerder (23 februari 1725) uitvoerde als Tafelmusik voor de 44ste verjaardag van Hertog Christian von Sachsen-Weissenfels. Entfliehet, verschwindet, het parodiemodel voor het Oster-Oratorium, is een ‘dramatische' cantate omdat er handelende personages in figureren, in dit geval vier antieke herders (Doris, Sylvia, Damoetas en Menalcas), die hun kudde in de steek laten om de hertog te gaan feliciteren, reden waarom de cantate bekend staat als Schäferkantate. Het libretto ervan  liet zich moeiteloos omvormen tot een Oster-oratorium waarin twee vrouwelijke en twee mannelijke volgelingen van Jezus zich naar het lege graf spoeden en zich in Christus' opstanding verheugen. De veronderstelling ligt voor de hand dat Bach zijn tekstdichter Picander (met wie hij bij deze gelegenheid voor het eerst samenwerkte) bij voorbaat al de opdracht gaf tot twee metrisch en affectief congruente libretti, zodat Bach voor het Oster-oratorium slechts nieuwe recitatieven hoefde te componeren en het aan zijn kopiïsten kon overlaten om de tweede tekst onder de ongewijzigde muziek van aria's en koren te noteren. (De Schäferkantate werd in 1726 opnieuw geparodieerd tot de verjaardagscantate Verjaget, zerstreuet, zerrüttet, ihr Sterne (BWV 249b) voor graaf Joachim Friederich Flemming, de gouverneur van Leipzig en één van Bachs machtigste supporters.)

1. Sinfonia

strijkers, hobo 1/2, trompet 1–3, timpani, continuo

2. ADAGIO

Het Oster-Oratorium opent met twee instrumentale delen, die ongetwijfeld hebben behoord tot een door Bach in zijn vorige functie te Köthen gecomponeerd concert. Met trompetten en pauken ademt de vrolijke en triomfantelijke Sinfonia (1) de sfeer van het paasfeest: drie instrumentale groepen - koper, houtblazers (hobo's, fagot) en strijkers - wedijveren ('concerteren') met elkaar.

Het langzame Adagio (2) schetst de pastorale sfeer waarin de volgende handeling zich zal gaan voltrekken: 'een vredig kerkhof in de morgen, dauw op de bladeren en een licht briesje door de bomen'. De obligate hobo trekt lange expressieve lijnen tegen een decor van ostinate gepuncteerde strijkersakkoorden. Dat Bach de solopartij in de jaren ‘40 aan de traverso toewees kan niet als een verbetering maar eerder als een praktische gelegenheidsoplossing worden beschouwd.

3. Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, trompet 1–3, timpani

Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße, Kom, haast je en ren, snelle voeten,
erreichet die Höhle, die Jesum bedeckt! ga naar de grot die Jezus bedekt!
Lachen und Scherzen Gelach en gescherts
begleitet die Herzen, vergezelt de harten,
denn unser Heil ist auferweckt.want ons heil is opgewekt!

Pas in het derde deel van het Oster-Oratorium (3) komt de titeltekst aan de orde; in dezelfde maatsoort als de Sinfonia haasten Jezus' volgelingen zich naar zijn graf. Veelvuldige toonladders illustreren hun snel geloop. Het stuk heeft een da-capostructuur, A-B-A. Het was aanvankelijk een duet, waarvan het gedeelte A de eerste maal door tenor en bas (Petrus en Johannes) werd gezongen en in de herhaling door alt en sopraan (Maria Magdalena, c.q. Maria Jacobi). Pas in de laatste versie (jaren '40) breidde Bach het A-gedeelte uit tot vierstemmigheid; het coloratuurrijke middendeel bleef tweestemmig. "Coro" betekende voor Bach slechts: alle vier de zangers. De oude Bachausgabe (negentiende eeuw) zaaide verwarring door beide versies te willen aanbieden zonder de hoekdelen tweemaal af te drukken, waardoor de indruk kon ontstaan dat het A-gedeelte alleen in de herhaling vierstemmig moet klinken, resp. dat de vierstemmige versie slechts één van de voormalige drie delen omvat.

4. Recitatief (A, S, T, B)

sopraan, alt, tenor, bas, continuo

(Maria Magdalena) O kalter Männer Sinn! (A) O, geest van koude mannen!
Wo ist die Liebe hin, Waar is de liefde gebleven
die ihr dem Heiland schuldig seid? die jullie de Heiland schuldig zijn?
(Maria Jacobi) Ein schwaches Weib (S) Een zwakke vrouw moet jullie
muss euch beschämen! beschaamd doen staan!
(Petrus) Ach! ein betrübtes Grämen (T) Ach, bedroefde smart
(Johannes) und banges Herzeleid (B) en bange hartepijn
(Petrus, Johannes) hat mit gesalznen Tränen (T+B) hebben hem met zilte tranen
und wehmutsvollem Sehnen en een weemoedig verlangen
ihm eine Salbung zugedacht, een zalving toebedacht
(2 Maria's) die ihr, wie wir, (S+A) die jullie, net zoals wij,
umsonst gemacht.voor niets hebben uitgevoerd.

In het secco recitatief (4) treden de vier bijbelse personages twee aan twee op: de vrouwen beklagen de mannen omdat ze te laat komen, de mannen, discipelen, die blijkens het middendeel van (3) al verwachten dat Jezus uit de dood zal zijn opgestaan, verwijten de vrouwen éénstemmig dat ze het lijk nog denken te kunnen balsemen.

5. Aria (S)

sopraan, traverso, continuo

(Maria Jacobi) Seele, deine Spezereien Ziel, jouw specerijen
sollen nicht mehr Myrrhen sein. moeten geen myrrhe meer zijn.
Denn allein mit dem Lorbeerkranze prangen, Want alleen het pronken met de louwerkrans
stillt dein ängstliches Verlangen.stilt je angstige verlangen.

Omrankt door een etherische traversosolo realiseert Maria, de moeder van Jacob, zich  in haar sopraanaria (5), Seele, deine Spezereien, dat ze beter met lauwerkransen dan met balsemolie had kunnen aankomen.

6. Recitatief (T, B, A)

alt, tenor, bas, continuo

(Petrus) Hier ist die Gruft (T) Hier is het graf
(Johannes) und hier der Stein, (B) en hier is de steen
der solche zugedeckt; die het graf heeft bedekt.
wo aber wird mein Heiland sein? Maar waar is mijn Heiland?
(Maria Magdalena) Er ist vom Tode auferweckt! (A) Hij is uit de dood opgewekt!
Wir trafen einen Engel an, Wij troffen een engel aan,
der hat uns solches kundgetan. die heeft het ons verteld.
(Petrus) Hier seh ich mit Vergnügen (T) Hier zie ik vol vreugde
das Schweißtuch abgewickelt liegen.de zweetdoek afgewikkeld liggen.

Petrus, Johannes en Maria Magdalena ontdekken in recitatief (6) het lege graf, waarin Petrus de zweetdoek herkent als teken dat Christus uit de dood is opgestaan.

7. Aria (T)

tenor, viool 1/2, blokfluit 1 colla parte viool, blokfluit 2 colla parte viool, continuo

(Petrus) Zachtjes zal het verdriet van mijn dood
Sanfte soll mein Todeskummer slechts een sluimering zijn,
nur ein Schlummer, Jezus, door uw zweetdoek.
Jesu, durch dein Schweißtuch sein. Ja, die zal mij daarginds verfrissen
Ja, das wird mich dort erfrischen en de tranen van mijn pijn
und die Zähren meiner Pein troostend van mijn wangen afwissen.
von den Wangen tröstlich wischen.

Met de zweetdoek als sleutelwoord bezingt hij in de Schlummeraria (7) het troostrijke idee dat ook voor hem de dood slechts een voorbijgaande slaap is, waaruit hij tot een eeuwig leven zal worden gewekt: een verstild pastoraal wiegelied, voor twee gedempte violen (con sordino), die octaverend worden verdubbeld door de twee blokfluiten, en een rustig kloppende continuobas.

8. Recitatief (S, A)

sopraan, alt, continuo

(2 Maria's) Ondertussen zuchten wij
Indessen seufzen wir met brandend verlangen:
mit brennender Begier: Ach, gebeurde het nu maar snel
Ach, könnt es doch nur bald geschehen, dat wij de Heiland zelf konden zien.
den Heiland selbst zu sehen!

Terwijl voor Petrus een zweetdoek volstaat, willen de beide Maria's Christus zelf zien; in recitatief (8) zingen zij de hoofdtekst tweemaal, in een canon waarbij ze beurtelings het voortouw nemen.

9. Aria (A)

alt, strijkers, hobo d'amore, continuo

(Maria Magdalena) Vertel, vertel mij haastig,
Saget, saget mir geschwinde, vertel waar ik Jezus kan vinden,
Saget, wo ich Jesum finde, de geliefde van mijn ziel!
Welchen meine Seele liebt! Kom toch, kom, omhels mij,
Komm doch, komm, umfasse mich; want mijn hart is zonder u
Denn mein Herz ist ohne dich geheel verweesd en bedroefd.
Ganz verwaiset und betrübt.

Maria Magdalena vertolkt hun beider verlangen in altaria (9); aanvankelijk energiek en hoopvol, met een opgewekt concertante begeleiding van hobo d'amore en strijkers, maar in het middendeel wat gereserveerder, met een rolwisseling tussen hobo en strijkers, uitlopend op een nadrukkelijk traag Adagio op de woorden betrübt en verwaiset, dat aan de oorspronkelijke versie zal zijn toegevoegd. Waarna het A-gedeelte (da capo) wordt hernomen.

10. Recitatief (B)

bas, continuo

(Johannes) Wij zijn verheugd
Wir sind erfreut, dat onze Jezus weer leeft,
dass unser Jesus wieder lebt, en ons hart,
und unser Herz, dat zopas nog wegsmolt en zweefde in droefheid
so erst in Traurigkeit zerflossen und geschwebt, vergeet de smart
vergisst den Schmerz en denkt na over vreugdeliederen,
und sinnt auf Freudenlieder; want onze Heiland leeft weer.
denn unser Heiland lebet wieder.

In het concluderende recitatief (10) van bas Johannes wint de Freude het van pijn en droefenis, zodat het paasoratorium met een uitgelaten lofzang kan eindigen.

11. Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, trompet 1–3, timpani, continuo

Preis und Dank Mogen lof en dank
bleibe, Herr, dein Lobgesang. uw lofgezang blijven, Heer.
Höll' und Teufel sind bezwungen, Hel en duivel zijn bedwongen,
ihre Pforten sind zerstört. hun poorten zijn verwoest.
Jauchzet, ihr erlösten Zungen, Juich, o verloste tongen,
dass man es im Himmel hört. zodat het in de hemel te horen is.
Eröffnet, ihr Himmel, die prächtigen Bogen, Open je schitterende poorten, o hemelen,
der Löwe von Juda kommt siegend gezogen!de leeuw van Juda nadert zegevierend!

Dit triomfantelijke slotkoor (11) is - afgezien van zijn compactheid - onmiskenbaar gemodelleerd naar het Sanctus van de Hohe Messe waarvan Bach de eerste versie met Kerstmis 1724 dus enkele maanden geleden had voltooid: twee contrasterende delen, resp. een akkoordisch (homofoon) eerste deel in 12/8 maat, en een fugato in 3/8. In dit fugato, met zijn fanfareachtig thema, voegt de eerste trompet een onafhankelijke, vijfde stem toe aan de koorstemmen. Niet alleen de sfeer van de openingssinfonia keert hier terug maar zelfs de maatsoort.

Sommige uitgaven en uitvoeringen willen in dit oratorium toch graag een cantate zien, en voegen een slotkoraal toe. Zo niet Bach.

________________________

 

t  e  k  s  t  v  e  r  g  e  l  ij  k  i  n  g
Schäferkantate (BWV 249a, 23/2/25) Oster-Oratorium (BWV 249, 1/4/1725)

3. Entfliehet, verschwindet, entweichet, ihr Sorgen

verwirret die lustigen Regungen nicht!

Lachen und Scherzen

erfüllet die Herzen

die Freude malet das Gesicht.

 

5. Hunderttausend Schmeicheleien

wallen jetzt in meiner Brust.

Und die Lust

so die Zärtlichkeiten zeigen,

kann die Zunge nicht verschweigen.

 

7. Wieget euch, ihr satten Schafe,

in dem Schlafe

unterdessen selber ein!

Dort in jenen tiefen Gründen,

wo schon junge Rasen sein,

werden/wollen wir euch wieder finden.

 

9. Komm doch, Flora, komm geschwinde,

hauche mit dem Westenwinde

unsre Felder lieblich an!

Daß ein treuer Untertan

seinem milden Christian

Pflicht und Schuld bezahlen kann.

 

11. Glück und Heil

bleibe dein beständig Teil!

Großer Herzog, dein Vergnügen

müsse wie die Palmen stehn,

die sich niemals niederbiegen,

sondern bis zum Wolken gehn!

So werden sich künftig

bei stetem Gedeihen

die deinen mit Lachen

und Scherzen erfreuen.

 

Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße,

erreichet die Höhle, die Jesum bedeckt!

Lachen und Scherzen

Begleitet die Herzen,

Denn unser Heil ist auferweckt.

 

Seele, deine Spezereien

sollen nicht mehr Myrrhen sein.

Denn allein

Mit dem Lorbeerkranze prangen,

Stillt dein ängstliches Verlangen.

 

Sanfte soll mein Todeskummer,

nur ein Schlummer,

Jesu, durch dein Schweißtuch sein.

Ja, das wird mich dort erfrischen

und die Zähren meiner Pein

von den Wangen tröstlich wischen.

 

Saget, saget mir geschwinde,

saget, wo ich Jesum finde,

welchen meine Seele liebt!

Komm doch, komm, umfasse mich;

denn mein Herz ist ohne dich

ganz verwaiset und betrübt.

 

Preis und Dank

bleibe, Herr, dein Lobgesang.

Höll und Teufel sind bezwungen,

ihre Pforten sind zerstört.

Jauchzet, ihr erlösten Zungen,

dass man es im Himmel hört.

Eröffnet, ihr Himmel,

die prächtigen Bogen,

Der Löwe von Juda

kommt siegend gezogen

 

2. Adagio

strijkers, traverso, continuo

Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße,
erreichet die Höhle, die Jesum bedeckt!
Lachen und Scherzen
begleitet die Herzen,
denn unser Heil ist auferweckt.