Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

O Ewigkeit, du Donnerwort I (BWV 20)

Geschreven voor 1e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 11 jun 1724

Libretto: Andreas Stübel (?)

Solisten ATB koor SATB orkest str ob1-3 trp cont

Totaal 11 delen, 1 koorwerk, 2 koralen

Vertaling: Henk Pijlman

Deze cantate werd de afgelopen jaren regelmatig uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Als Bach voor 11 juni 1724, de eerste zondag na Trinitatis, zijn cantate 20 schrijft is hij precies één jaar werkzaam als Thomascantor in Leipzig. Hij heeft volgens plan elke zon- en feestdag een zelf gecomponeerde cantate uitgevoerd, ten dele gebruik makend van eerder in Weimar geschreven cantates. Als hij voor de tweede keer een cantate moet schrijven voor de eerste zondag na Trinitatis heeft hij de lat nog een stukje hoger gelegd: zijn tweede jaargang cantates, meer dan twintig uur muziek, moet een samenhangend kunstwerk worden. Voor elk van de 65 zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar zal hij een cantate componeren die is gebaseerd op één van de voor die zondag voorgeschreven kerkliederen (koralen); en wel volgens een vast bouwplan: de eerste en laatste strofe van het kerklied dienen ongewijzigd tot tekst voor een koraalfantasie ter opening en een eenvoudig vierstemmig slotkoraal ten besluite van de cantate, de tussenliggende coupletten worden herdicht tot aria's en recitatieven. In de inleidende koraalfantasie zal steeds de koraalmelodie in lange noten klinken (cantus firmus), versierd door de instrumenten en overige stemmen.

Op de eerste zondagen van zijn tweede jaargang maakt Bach met enkele grote gebaren kenbaar dat hier een ambitieus project van start gaat: hij slaat enkele stilistische piketpaaltjes door de eerste vier openingskoren achtereenvolgens in de vorm te gieten van een plechtige Franse Ouverture (1e zondag na Trinitatis, BWV 20), een ouderwets motet (2e zondag, BWV 2), een concert in Italiaanse stijl voor de derde (BWV 7) en een meer gangbare koraalfantasie voor vierde zondag (BWV 135); de cantus firmus wijst hij in deze eerste vier koraalcantates achtereenvolgens toe aan de sopraan, de alt, de tenor en de bas. Op de partituur van cantate 20 schrijft hij bovendien, in plaats van zijn gebruikelijke aanroep J.J. (Jesu Juva, Jezus help mij), de letters INDNJC, In Nomine Domini Nostri Jesu Christe (In de naam van onze heer Jezus Christus).

Maar het blijft de vraag of iemand onder Bachs kerkgangers zich het belang zal hebben gerealiseerd dat Bach zelf aan zijn BWV 20 toekende; hoogstens zal men zich hebben verbaasd dat de cantor op een zo gewone zondag als de 1e na Trinitatis uitpakte met een zo omvangrijke cantate.

De cantate bestaat uit twee delen, respectievelijk uit te voeren voor en na de preek, bijna dertig minuten muziek voor elf stukken. De evangelietekst voor deze eerste zondag na Trinitatis (het Drievuldigheidsfeest, een week na Pinksteren, waarmee de tweede, feestloze helft van het kerkelijk jaar begint) is Lucas 16: 19-31, het verhaal van de rijke man die op aarde Christus niet herkende in de arme Lazarus maar deze, zuchtend onder eeuwigdurende kwellingen in het dodenrijk, benijdt en om hulp smeekt. Hierbij past het kerklied van Johann Rist (1642) op een melodie van Johann Schop O Ewigkeit, du Donnerwort, afkomstig uit het gedeelte Von der Hölle in het liedboek: de eeuwigheid is een dreigende verschrikking voor verdoemden, de gelovigen worden gemaand het tijdelijk lijden hier op aarde te verkiezen boven eeuwige pijn hiernamaals. (Een half jaar eerder schreef Bach cantate 60, die dezelfde titel kreeg maar geen koraalcantate is; alleen het openingskoor gebruikte het eerste couplet van Rists lied.) Van Rists oorspronkelijke 16 coupletten drukt Bachs Neu Leipziger Gesangbuch ('Vopelius') er slechts 12 af; die parafraseert Bachs tekstdichter vrijwel één op één tot elf cantatedelen, door in recitatief (4) de verzen 4 en 5 samen te vatten.

Het is opmerkelijk dat in deze lange cantate de sopraan geen solorol vervult; dat geldt ook voor de cantates die Bach de komende drie weken zal componeren en heeft dus niet te maken met het sombere karakter van BWV 20. Alt en tenor tonen zich in hun solo's emotioneel sterk betrokken bij alle dreigend onheil, de bas heeft een afstandelijker, belerende rol.

1.  Koor

SATB, strijkers, hobo 1–3, trompet colla parte sopraan, continuo

O Ewigkeit, du Donnerwort,O eeuwigheid, o donderwoord,
o Schwert, das durch die Seele bohrt,o zwaard, dat de ziel doorboort,
o Anfang sonder Ende!o begin zonder einde!
O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,O eeuwigheid, tijd zonder tijd,
ich weiß vor großer Traurigkeitik weet van grote droefheid
nicht, wo ich mich hinwende.niet, waarheen ik mij zal wenden.
Mein ganz erschrocken Herz erbebt,Mijn hevig geschrokken hart beeft
daß mir die Zung am Gaumen klebt.zodat mijn tong aan mijn gehemelte kleeft.
beluister: Koopman

De koraalfantasie (1) waarmee BWV 20 begint heeft de majesteitelijke vorm van een Franse Ouverture, de deftige en pathetische opening van Franse hofconcerten waarop Lodewijk XIV placht binnen te schrijden. Bach gebruikt die vorm niet alleen in zijn orkestsuites BWV 1066-69 maar ook op saillante punten in zijn verdere instrumentale oeuvre zoals het begin van zijn ‘orgelmis' (BWV 552) en het centrum van zijn Goldbergvariaties (BWV 988/16) en ook regelmatig in cantates zoals voor de entree van Christus op 1e Advent in Nun komm der Heiden Heiland (BWV 61). De oorspronkelijke connotaties van de Franse Ouverture zijn niet alleen plechtig en feestelijk maar ook uitdrukking van eerbied en ontzag voor de absolute macht van de vorst; in die laatste betekenis is de muzikale vorm van dit openingskoor uitdrukking van huiver en respect voor de dreigende eeuwigheid.

De combinatie van Franse Ouverture en koraaltekst dwingt Bach twee verschillende driedelige structuren met elkaar te verenigen:

- de A-B-A-structuur van de Franse Ouverture: het gedragen eerste deel (Grave)  met zijn overgepuncteerde () ritme in 4/4-maat (A) wordt herhaald na het snelle (Vivace) en polyfone middendeel in 3/4-maat (B).

- de A-A-B-structuur van het koraal: de melodie van eerste drie regels (A, Stollen) wordt herhaald, gevolgd door een enkelvoudig Abgesang van twee regels (B);

Twee muzikaal identieke koraalgedeelten krijgen zodoende een  totaal verschillende instrumentale begeleiding, terwijl de twee identieke stukken instrumentale muziek verschillende koraalpassages moeten ondersteunen.

De koraalmelodie wordt voortdurend in lange noten door de sopraan gezongen, gesteund door een tromba da tirarsi, een schuiftrompet (voetnoot); de drie overige vocale partijen geven een eenvoudige, weinig kunstrijke harmonische ondersteuning aan de sopraan, waardoor in feite de pathetische instrumentale vorm de vocale inhoud domineert. Wel biedt de vocale begeleiding gelegenheid tot enige tekstuitbeelding: gerommel in de bas op Donnerwort, een wringende halve-tonenreeks en een verminderd-septiemakkoord op Traurigkeit. Na drie koraalregels volgt zoals gezegd het middendeel van de Franse Ouverture: de trage vierkwartsmaat (Maestoso) verandert in een snelle 3/4-maat (Vivace). Het karakteristiek polyfone karakter ervan beperkt zich tot de instrumentalisten die een wat ontspannen vierstemmige  dubbelfuga entameren op de hiernaast weergegeven thema's; de bescheiden homofone begeleiding door de vocale stemmen verandert niet. Dat gebeurt pas wanneer in A' het gepuncteerd ritme weer terugkeert; nu nemen ook de ondersteunende vocale stemmen alt, tenor en bas dat over, in een wat verbrokkelde vorm ten dienste van een illustratieve begeleiding van de woorden erschrocknes en erbebt. Het woord klebt tenslotte geeft aanleiding tot een nieuw, inderdaad wat kleverig figuurje en een extra lange slotnoot.

2. Recitatief (T)

tenor, continuo

Kein Unglück ist in aller Welt zu finden, Er is in de hele wereld geen ongeluk te vinden,
das ewig dauernd sei: dat eeuwig duurt:
Es muß doch endlich mit der Zeit einmal verschwinden. want mettertijd moet alles tenslotte toch eens
Ach! aber ach! die Pein der Ewigkeit hat nur kein Ziel; verdwijnen.
sie treibet fort und fort ihr Marterspiel, Ach! maar ach! alleen aan de pijn
Ja, wie selbst Jesus spricht, van de eeuwigheid komt geen einde;
aus ihr ist kein Erlösung nicht.ze laat haar martelspel alsmaar voortduren,
ja, zoals Jezus zelf zegt,
er is uit haar geen verlossing.
beluister: Koopman

Aan de eeuwigdurende pijnen komt geen einde, aldus het alleen door continuo begeleide tenorrecitatief (2), en dus ook niet aan de wrange verminderd-septiemakkoorden waarmee het recitatief begint, die we twee maten later als gebroken akkoord in het continuo horen en waarmee verder woorden als Pein, treibet en kein (Erlösung) worden gekleurd.

Door nu en dan Rists bekende koraaltekst letterlijk te citeren, onder meer aan het slot van (2) en het begin van (3) attendeert de librettist de kerkgangers - nog niet vertrouwd met dit type koraalcantate - erop dat de cantatetekst de koraaltekst parafraserend volgt.

3. Aria (T)

tenor, strijkers, continuo

Ewigkeit, du machst mir bange, Eeuwigheid, je maakt mij bang,
ewig, ewig ist zu lange! eeuwig, eeuwig is te lang!
Ach, hier gilt fürwahr kein Scherz. Ach, voorwaar, het is hier geen scherts.
Flammen, die auf ewig brennen, Vlammen die eeuwig branden,
ist kein Feuer gleich zu nennen; daaraan is geen vuur gelijk;
es erschrickt und bebt mein Herz, mijn hart schrikt en beeft
wenn ich diese Pein bedenke wanneer ik mij deze pijn voorstel
und den Sinn zur Höllen lenke.en mijn gedachten op de hel richt.
beluister: Koopman

Strijkers begeleiden de verontrustende aria (3) van de tenor die hier de vrezende mens personifieert. Nu eens geen driedelige da-capoaria (A-B-A), maar een aria in concertovorm: vijf thematisch uniforme instrumentale ritornellen omlijsten drie vocale passages die centrale tekstwoorden muzikaal illustreren: lang liggende akkoorden en uitzichtloos golvende 8sten voor Ewigkeit, wilde coloraturen voor flakkerende Flammen en brennen, een onrustig springend motief voor erschrickt en een aarzelend bebt (hiernaast), gekwelde zuchten (Seufzer) op Pein etc. Het geheel uiteraard geharmoniseerd met alles wat lelijk is: verminderd-septiemakkoorden, kwart-parallellen, overmatige kwartsprongen ('diabolus in musica').

4. Recitatief (B)

bas, continuo

Gesetzt, es dau'rte der Verdammten Qual Stel dat de pijn van de verdoemden
so viele Jahr, als an der Zahl zoveel jaren duurde als er
auf Erden Gras, am Himmel Sterne wären; grassen op de aarde en sterren aan de hemel zijn;
gesetzt, es sei die Pein so weit hinausgestellt, stel dat die pijn zo wijd verspreid was
als Menschen in der Welt als er vanaf het begin mensen
von Anbeginn gewesen, op de wereld zijn geweest,
so wäre doch zuletzt dan zou er toch ten slotte
derselben Ziel und Maß gesetzt: paal en perk aan zijn gesteld:
Sie müßte doch einmal aufhören. eens zou die pijn moeten ophouden.
Nun aber, wenn du die Gefahr, Nu echter, wanneer jij, verdoemde ziel,
Verdammter! tausend Millionen Jahr het gevaar duizend miljoen jaren
mit allen Teufeln ausgestanden, met alle duivels hebt doorstaan,
so ist doch nie der Schluß vorhanden; dan komt daarr toch nooit een einde aan;
die Zeit, so niemand zählen kann, de tijd, die niemand kan berekenen,
fängt jeden Augenblick begint elk moment
zu deiner Seelen ewgem Ungelück steeds weer opnieuw te lopen
sich stets von neuem an.tot eeuwige rampspoed voor je ziel.
beluister: Koopman

In tegenstelling tot de opgewonden tenor slaat de rustige en gedistancieerde bas in recitatief (4) een belerende en waarschuwende toon aan. Hij ontvouwt nog eens de grimmige boodschap en meet breed uit hoe lang het lijden zal duren van de verdoemden waarvoor de rijke man uit de evangelietekst model staat. Hij spreekt diens lotgenoten zelfs persoonlijk aan: du en Verdammter.

De lange tekst vat twee coupletten van Rists koraal samen.

5. Aria (B)

bas, hobo 1–3, continuo

Gott ist gerecht in seinen Werken: God is rechtvaardig in Zijn werken:
Auf kurze Sünden dieser Welt op kortdurende zonden in deze wereld
hat erso lange Pein bestellt; laat Hij een zo lang durende pijn volgen;
ach wollte doch die Welt dies merken! ach, wilde de wereld dit toch ter harte nemen!
Kurz ist die Zeit, der Tod geschwind, Kort is de tijd, de dood gezwind,
bedenke dies, o Menschenkind!bedenk dit toch, o mensenkind!
beluister: Koopman

Terwijl Rists oorspronkelijke tekst er nog gewoon een schepje ellende bovenop belooft, oppert Bachs tekstdichter in basaria (5) de mogelijkheid tot bekering: bedenke dies, o Menschenkind. Bach bevordert de eerste drie woorden tot een motto dat gedurende de hele aria hoorbaar zal blijven, zowel (zie hieronder) in het apodictisch gebroken akkoord dat het continuo voortdurend zal herhalen als in het verleidelijke thema van eerste hobo en zanger.

Het strijkkwartet dat de tenor begeleidde heeft plaatsgemaakt voor een dubbelrietblazerskwartet, aannemende dat de fagot hier de continuopartij speelde. Mede door de assertieve toonsoort Bes-groot is de sfeer luchtig en stellig, positief.

6. Aria (A)

alt, strijkers, continuo

O Mensch, errette deine Seele, O mens, red je ziel,
entfliehe Satans Sklaverei ontvlucht Satans slavernij
und mache dich von Sünden frei, en maak jezelf van zonden vrij,
damit in jener Schwefelhöhle opdat in dat zwavelhol
der Tod, so die Verdammten plagt, de dood, die de verdoemden kwelt,
nicht deine Seele ewig nagt. niet eeuwig aan je ziel knaagt.
O Mensch, errette deine Seele!O mens, red je ziel!
beluister: Koopman

Het strijkkwartet keert terug, nu ter begeleiding van de alt die in zijn/haar aria (6) de oproep tot bekering overneemt. Het decor is weer duister en dreigend. Het ritme illustreert twijfel en besluiteloosheid: hoewel het stuk in driekwartsmaat is genoteerd behandelt Bach regelmatig (maar niet altijd) twee maten van drie tellen als drie maten van twee tellen, zogeheten hemiolen. (We kennen dit ontregelende ritme ook uit de aria Vergibt mir Jesus meine Sünden, BWV 48/6). Het thema omvat smekende voorhoudingen (hieronder rood gemarkeerd). De structuur is heel merkwaardig; zie het schema hiernaast. De strijkers spelen een instrumentale inleiding van negen maten die ze terstond herhalen terwijl de alt, afgezien van een enkele versiering, met de eerste hobo meezingt (vocaalinbouw). Er volgt een passage van 23 maten die ook weer direct ongewijzigd wordt herhaald als instrumentaal naspel, want nu zingt de alt alleen de eerste keer mee.

De tekst wordt, zonder één woord te herhalen, één keer integraal doorgenomen, waarna, precies in het midden van de aria (m. 32), de eerste regel, O Mensch, errette deine Seele (die de librettist ongetwijfeld voor een da-capo bedoelde), driemaal wordt herhaald en de aria besluit met een slotritornel dat ruim tweemaal zo lang is als het inleidende. In deze aria wordt dus, nog afgezien van het ongewisse ritme, tegen zo ongeveer alle regels van het genre gezondigd: Satans Sklaverei?

7. Koraal

tutti

Solang ein Gott im Himmel lebt Zolang er een God in de hemel leeft
und über alle Wolken schwebt, en boven alle wolken zweeft,
wird solche Marter währen: zal zo´n marteling duren:
Es wird sie plagen Kält und Hitz, men zal gekweld worden door koude en hitte,
Angst, Hunger, Schrecken, Feu'r und Blitz angst, honger, verschrikking, vuur en bliksem,
und sie doch nicht verzehren. en toch niet verteerd worden.
Denn wird sich enden diese Pein, Deze pijn zal pas dan ophouden,
wenn Gott nicht mehr wird ewig sein.wanneer God niet meer eeuwig zal zijn.
beluister: Koopman

Het eerste deel van de cantate eindigt met een koraal (7) op de letterlijke de tekst van Rists achtste couplet; de mogelijkheid van bekering lijkt hier weer vergeten. In Bachs eenvoudige vierstemmige harmonisering illustreert de bas het woord Pein met enkele chromatisch dalende stappen. Voor het slotkoraal (11).gebruikt Bach dezelfde harmonisering, waar deze beweging geen functie vervult.

8. Aria (B)

bas, strijkers, hobo 1–3, trompet, continuo

Wacht auf, wacht auf, verlornen Schafe, Ontwaakt, ontwaakt, verloren schapen,
ermuntert euch vom Sündenschlafe word wakker uit de slaap der zonde
und bessert euer Leben bald! en verbeter gauw je leven!
Wacht auf, eh die Posaune schallt, Ontwaakt, voordat de bazuin zal schallen,
die euch mit Schrecken aus der Gruft die jullie met schrik uit het graf
zum Richter aller Welt voor de rechter van de hele wereld roept
vor das Gerichte ruft!om geoordeeld te worden!
beluister: Koopman

Mochten de kerkgangers zijn ingedommeld tijdens de gemiddeld een uur durende preek, die ook een sterk vermanend karakter zal hebben gehad, dan werden ze daaruit wel vriendelijk doch dringend gewekt door de trompetsignalen van basaria (8), Wacht auf! Tegelijk echter verwijst deze trompet [1] naar de bazuinen die aan het einde der tijden de doden uit hun graf roepen om Gods laatste oordeel te vernemen. Behalve door de trompet wordt de bas begeleid door de met elkaar colla parte spelende strijkers- en rietblazerskwartetten.
Het gepuncteerde ritme met zijn karakteristieke tirata's ('vuurpijlen', zie hiernaast) herinnert aan de opening van het eerste deel. De bas imiteert de fanfares, gebroken drieklanken van de trompet.

9. Recitatief (A)

alt, continuo

Verlaß, o Mensch, die Wollust dieser Welt, Verlaat, o mens, de wellust van deze wereld,
Pracht, Hoffart, Reichtum, Ehr und Geld; pracht en praal, hovaardij, rijkdom, eer en geld;
bedenke doch bedenk toch
in dieser Zeit annoch, in deze tijd,
da dir der Baum des Lebens grünet, nu je levensboom nog groen is,
was dir zu deinem Friede dienet! wat bevorderlijk is voor je vrede.
Vielleicht ist dies der letzte Tag, Misschien is dit je laatste dag,
kein Mensch weiß, wenn er sterben mag. geen mens weet, wanneer hij zal sterven.
Wie leicht, wie bald Hoe gemakkelijk, hoe spoedig
ist mancher tot und kalt! is menigeen dood en koud!
Man kann noch diese Nacht Men kan nog deze nacht
den Sarg vor deine Türe bringen. de doodskist bij je deur brengen.
Drum sei vor allen Dingen Wees daarom voor alles
auf deiner Seelen Heil bedacht!op je zielenheil bedacht!
beluister: Koopman

In het secco recitatief (9) herhaalt de alt haar oproep tot bekering: wend u af van de wereldse lusten waarvan ze Rists opsomming (Pracht, Hoffart, Reichtum etc) letterlijk citeert. Het continuo illustreert deze verleidingen met een over een octaaf ('de hele wereld') breeduitwaaierende, pralende figuur (muziekvoorbeeld).In zijn filippica is geen metafoor de alt te smakeloos: morgen kan je kist klaar staan.

10. Aria / Duet (A, T)

alt, tenor, continuo

O Menschenkind, O mensenkind,
hör auf geschwind, houd snel op
die Sünd und Welt zu lieben, de zondige wereld lief te hebben,
daß nicht die Pein, opdat niet de pijn je daar,
wo Heulen und Zähnklappen sein, waar geween en tandengeknars is,
dich ewig mag betrüben! eeuwig verdriet zal doen!
Ach spiegle dich am reichen Mann, Ach, spiegel je toch aan de rijke man,
der in der Qual die in zijn kwelling
auch nicht einmal niet een keer
ein Tröpflein Wasser haben kann!een druppeltje water kan krijgen!
beluister: Koopman

In een duet (10), nu weer in een mineur toonsoort (a-klein) doen alt en tenor gezamenlijk een laatste dringende oproep de wereld de rug toe te keren. Ook waar deze tekst niet wordt gevocaliseerd blijft het O Menschenkind hoorbaar in het ostinate vier-notenmotief van het continuo (muziekvoorbeeld hiernaast).

De tekst wordt behandeld in drie episoden, gescheiden en omlijst door korte ritornellen. Aanvankelijk klinken de zangers nog tamelijk naïef, onschuldig in hun modieuze terts- en sextparallellen. Maar op Pein (2e episode) zingen ze al schrille septiemen, gevolgd door dalende chromatische (in halve tonen) lijnen en schurende harmonieën op betrüben en Heulen und Zähnklappen, "geween en tandengeknars", de bekende bijbelse karakteristiek voor de hel (o.m. Matteüs 8:12). De derde en langste episode begint het spiegle dich ... te verbeelden met gespiegelde passages voor alt en tenor, zoals het muziekvoorbeeld illustreert:Vervolgens verschuift de aandacht naar de druppeltjes water, waar volgens de evangelietekst (Lukas 16:24) de rijke man, smachtend in het hellevuur, zo om smeekt: een reeks kleine zestiende nootjes. De eeuwige duur van de Qual (kwellingen), met lange noten en harmonische stilstand, zorgt voor de lengte van deze laatste passage.

Gardiner hoort hier een ‘spookachtige verklanking van geween en tandengeknars en van de dreigende nadering van een met de hand getrokken lijkwagen, ratelend over de kasseien’.

11. Koraal

alt, tenor, continuo

O Ewigkeit, du Donnerwort, O eeuwigheid, o donderwoord,
O Schwert, das durch die Seele bohrt, o zwaard, dat de ziel doorboort,
O Anfang sonder Ende! o begin zonder einde!
O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit, O eeuwigheid, tijd zonder tijd,
Ich weiß vor großer Traurigkeit ik weet van groot verdriet
Nicht, wo ich mich hinwende. niet, waarheen ik mij zal wenden.
Nimm du mich, wenn es dir gefällt, Neemt Gij mij, als het U behaagt,
Herr Jesu, in dein Freudenzelt!Heer Jezus, op in Uw tent van vreugde.
beluister: Koopman

Het slotkoraal (11) is zoals gezegd muzikaal identiek aan het slot van het eerste deel; de tekst echter volgt zes regels lang die van het eerste couplet, het openingskoor; alleen de laatste twee regels, het Abgesang, verschillen: van verbijstering (1) naar overgave (11): de cantateboodschap in een notedop.

*) U hoort in deze cantate dus twee verschillende typen trompet. De schuiftrompet (tromba da tirarsi) kan in principe, als een trombone, alle chromatische tonen binnen zijn bereik (ambitus) produceren, en dus ook in willekeurige toonsoorten spelen. In deel (8) echter speelt de 'gewone', d.w.z. natuurtrompet, zonder gaten of ventielen, die alleen de 'natuurtonen' produceert, d.w.z. de reeks boventonen van de grondtoon waarin hij is gebouwd. Pas vanaf de achtste boventoon volgt deze reeks ongeveer de toonladder, zodat daar niet alleen signalen maar ook melodietjes kunnen worden gespeeld: het clarino-register. Met name de elfde en de dertiende boventoon zijn berucht omdat ze fors afwijken van de tonen uit de tonale reeks, ze zijn gewoon vals. Bach gebruikt deze tonen in aria (8) bewust om het affect van Schrecken en Sündenschlafe te illustreren.

 

*) U hoort in deze cantate dus twee verschillende typen trompet. De schuiftrompet (tromba da tirarsi) kan in principe, als een trombone, alle chromatische tonen binnen zijn bereik (ambitus) produceren, en dus ook in willekeurige toonsoorten spelen. In deel (8) echter speelt de 'gewone', d.w.z. natuurtrompet, zonder gaten of ventielen, die alleen de 'natuurtonen' produceert, d.w.z. de reeks boventonen van de grondtoon waarin hij is gebouwd. Pas vanaf de achtste boventoon volgt deze reeks ongeveer de toonladder, zodat daar niet alleen signalen maar ook melodietjes kunnen worden gespeeld: het clarino-register. Met name de elfde en de dertiende boventoon zijn berucht omdat ze fors afwijken van de tonen uit de tonale reeks, ze zijn gewoon vals. Bach gebruikt deze tonen in aria (8) bewust om het affect van Schrecken en Sündenschlafe te illustreren.                  terug