Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Es erhub sich ein Streit (BWV 19)

Geschreven voor St Michiel (Michaelistag 29/9)

Voor het eerst uitgevoerd: 29 sep 1726

Libretto: Christian Friedrich Henrici (alias Picander)

Solisten STB koor SATB orkest str ob1-3 obd'am1,2 trp1-3 timp cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Ria van Hengel

Deze cantate werd de afgelopen jaren soms uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Bach schreef zijn cantate 19 voor Michaelistag (Sint Michiel, 29 september) 1726, de feestdag van de aartsengel Michael, die Luther op de liturgische kalender handhaafde wegens zijn grote populariteit in Duitsland, en die in Leipzig het begin van de najaarsbeurs (Michaelismesse) inluidde. Michaelistag was één van de grote feesten, van de orde van Kerstmis en Pasen, waarop de cantor met groot materieel placht uit te rukken, terwijl er veel Messegasten in de stad waren. In 1724 had Bach voor deze gelegenheid al de cantate Herr Gott, dich loben alle wir (BWV 130) gecomponeerd, in 1728 of ‘29 zou nog volgen Man singet mit Freuden vom Sieg (BWV 149), terwijl hij op een onbekend tijdstip een cantate Nun ist das Heil und die Kraft moet hebben geschreven waarvan slechts het torso resteert als BWV 50.

Engelen waren een soort immateriële tussenfiguren, boodschappers met een verbindende rol tussen God en de mensen, ze werden destijds, zoals veel afbeeldingen tonen, voorgesteld als krachtige, manlijke figuren en kregen pas later hun lieflijk karakter.

De epistellezing voor Michaelistag is uit het boek Openbaringen (12: 7-12), het verhaal van een 'oorlog in de hemel', tussen de aartsengel (engelencommandant) Michaël en zijn engelenschaar tegen een afvallige engel, die ook een schare getrouwen in het veld weet te brengen en veelal voorgesteld wordt als een draak (de Satan, de duivel, een slang); een strijd waarin de duivel het onderspit delft en uit de hemel op aarde wordt gekieperd, waar hij de mensen het leven zuur maakt en waar de strijd tot aan de eindtijd zal voortduren.

De cantatetekst is losjes gebaseerd op een liedtekst van zeven coupletten van de hand van Bachs latere tekstdichter Christian Friedrich Henrici (‘Picander'), in eigen beheer gepubliceerd in 1725, dus vóór de periode van diens intensieve samenwerking met Bach. Cantatedeel (3) volgt letterlijk één van Picanders verzen, de delen (4) en (6) zijn daarvan vrije bewerkingen, terwijl de delen (1), (2), (5) en het slotkoraal (7) door een onbekende tekstdichter (wellicht Picander zelf) aan het libretto werden toegevoegd. De tekst van deel (1) is een vrije, rijmende bewerking van de verzen 7-9 uit de epistellezing. Voor het vervolg van de cantate verschuift deel (2) de aandacht van de engelenoorlog naar de algemene beschermende functie die engelen voor de mensen vervullen (‘beschermengel').

De cantatetekst verwijst naar diverse bijbelse gebeurtenissen die met optredens van engelen werden geassocieerd: zij steunden Jacob te Mahanaim (3 r.1) bij de ontmoeting met zijn vijandige broer Esau (Genesis 32:2), ze verzorgden (2 Koningen 2:11) de hemelvaart van de profeet Elia (7 r.2) in een met vurige paarden bespannen wagen (mit Feuer, Roß und Wagen (3 r.7)), en begeleidden de arme Lazarus (7 r.4) naar de hemel (Lucas 16:22).

Het instrumentale ensemble omvat naast een - uiteraard stevig te bezetten - continuogroep en het gebruikelijke vierstemmige strijkersensemble, twee hobo's (ook d'amore) en een  althobo (taille) en drie trompetten en pauken.

1. Koor

SATB, strijkers, hobo 1–3, trompet 1–3, timpani, continuo

Es erhub sich ein Streit. Er ontstond een gevecht.
Die rasende Schlange, der höllische Drache De razende slang, de helse draak
stürmt wider den Himmel mit wütender Rache. bestormt de hemel, woedend en wraakzuchtig.
Aber Michael bezwingt, Maar Michael bedwingt Satans wreedheid
und die Schar, die ihn umringt, en de engelenschare om hem heen
stürzt des Satans Grausamkeit.brengt die ten val.
beluister: Koopman

Anders dan de drie andere cantates die Bach voor deze zondag schreef viert BWV 19 niet primair de overwinning van Michaël, maar tracteert hij ons in het monumentale openingskoor (1) op een realistisch beeld van het strijdgewoel. Abrupt, zonder enige instrumentale inleiding laait de strijd op met vier fugatische inzetten van onder naar boven (bas, tenor, alt, sopraan) van een thema dat begint met martiale octaafsprongen en wordt vervolgd met een rumoerig golvend zestiendenden melisma. Binnen zeven maten hebben alle partijen hun posities ingenomen voor een goed geordend, polyfoon gevecht, met de vier vocale stemmen als protagonisten, colla parte verdubbeld en gekleurd door de drie strijkersgroepen en de drie hobo's; alleen de trompetten en pauken, vertrouwd met feodaal strijdgewoel, verrijken de fuga met een zelfstandige vijfde stem.

In de hakkende achtsten op Es erhub sich kan men de stoten van Michaëls lans horen, de furieuze, langdurig op en neer gaande coloraturen (de bassen zingen tot 120 zestienden achtereen) staan op de woorden Streit, rasend, Rache en Grausamkeit en illustreren het wederzijds wapengekletter.

Het koor heeft een da-capostructuur: het eerste deel (A) wordt ongewijzigd herhaald na het tweede (b). Pas aan het eind van het A-deel, als de zangers vier maten rusten, krijgen de instrumentalisten gelegenheid voor een zelfstandige thematische bijdrage, die ongetwijfeld (onderdeel van) de instrumentale inleiding had gevormd als Bach niet had gekozen voor de dramatische en overrompelende entree van het voltallige vocale koor.

Terwijl de zesregelige tekst duidelijk in tweemaal drie regels is verdeeld (strijd / overwinning), gebruikt Bach slechts één regel voor deel A, zodat de strijd in deel B nog gewoon doorgaat. Maar het begin van deel B verlegt wel de aandacht naar de slang en de draak, met onheilspellende lage unisono signalen van de drie trompetten (NB In alle afbeeldingen van deze strijd ligt de slang/draak op de grond, het is een laag wezen.).

De koorpartijen zijn in B minder polyfoon, meer akkoordisch, en strijkers en hobo's - die elkaar blijven doubleren - spelen onafhankelijke partijen. Van de overwinning van Michaël (Aber Michael bezwingt) wordt slechts gewag gemaakt in drie a-cappellamaten, terwijl de instrumenten zwijgen. De daarop volgende neergang van Satans Grausamkeit geschiedt harmonisch kleurrijker, zodat de trompetten met hun beperkte notenvoorraad, verstek moeten laten gaan; een chromatisch (in halve tonen) dalende lijn van de sopranen bezegelt het lot van Satan. Waarna (da-capo) de strijd in het A-deel (Es erhub sich ein Streit) weer in volle hevigheid terugkeert! Maar de strijd was toch inmiddels in een overwinning geëindigd? Velen, in het gevolg van Albert Schweitzer, verwijten Bach dat hij zich hier een willoze slaaf betoont van de vormvereisten van zijn tijd. Mijns inziens ten onrechte: dit is immers geen opera die verslag doet van achtereenvolgende handelingen, maar de strijd tegen de Antichrist gaat door, die is in de hemel weliswaar gewonnen maar zal op aarde tot in der eeuwigheid voortduren.

In zijn krijgshaftige zetting van Michaëls strijd en overwinning is Bach ongetwijfeld geïnspireerd door de geniale, maar liefst 22-stemmige, gelijknamige cantate van Johann Christoph Bach (1642-1703), een werk dat Bach zelf in Leipzig nog uitvoerde, in 1680 geschreven door zijn 'profunde Onkel' (in werkelijkheid een oudoom), wiens talent Bach het hoogst aansloeg van al zijn voorzaten en bij wie hij al op zeer jonge leeftijd op de Eisenacher orgelbank moet zijn aangeschoven (afb. hiernaast).

2. Recitatief (B)

bas, continuo

Gottlob! der Drache liegt.Godlof! De draak ligt terneer.
Der unerschaffne MichaelDe ongeschapen Michael
und seiner Engel Heeren zijn engelenschare
hat ihn besiegt.hebben hem overwonnen.
Dort liegt er in der FinsternisDaar ligt hij in de duisternis
mit Ketten angebunden,in ketenen geslagen,
und seine Stätte wird nicht mehren zijn plaats in het hemelrijk
im Himmelreich gefunden.is niet meer te vinden.
Wir stehen sicher und gewiß,Wij zijn veilig en zeker,
und wenn uns gleich sein Brüllen schrecket,en al jaagt zijn gebrul ons angst aan,
so wird doch unser Leib und Seelons lichaam en onze ziel worden
mit Engeln zugedecket.door engelen beschermd.
beluister: Koopman

Het secco (slechts door continuo begeleid) recitatief (2) van de bas verkondigt nogmaals de overwinning van Michaël en verbreedt het perspectief tot alle engelen die mensen zullen beschermen.

3. Aria (S)

sopraan, hobo d'amore 1/2, continuo

Gott schickt uns Mahanaim zu;God stuurt ons naar Mahanaim;
wir stehen oder gehen,of wij nu staan of gaan,
so können wir in sichrer Ruhwij kunnen in veilige rust
vor unsern Feinden stehen.tegenover onze vijanden staan.
Es lagert sich so nah als fern,Zowel dichtbij als ver weg
um uns der Engel unsers Herrnis de engel van de Heer om ons heen gelegerd
mit Feuer, Roß und Wagen.met vuur, paard en wagen.
beluister: Koopman

Deze troostrijke gedachte bezingt de sopraan in aria (3). Ze wordt begeleid door twee oboi d'amore, waarmee ze eenzelfde thematiek deelt; ook het continuo levert thematische bijdragen, waardoor een kwartet ontstaat met een dichte polyfone textuur die warmte en geborgenheid uitdrukt. Woorden als stehen en Ruh worden met lange noten verbeeld, gehen en Feinde met geagiteerde zestienden. In de cirkelende figuur (hiernaast) kan men de beschermende omarming van engelenvleugels horen.

De aria heeft geen da-capostructuur: de twee delen van de tekst worden omkaderd door een in- en uitleidend ritornel en gescheiden door een verkorte versie daarvan.

Het Hebreeuwse woord Mahanaim betekent 'legers' en is de naam die Jacob gaf aan de plaats waar hij een (engelen)leger van God ontmoette (Genesis 32:2) is strikt genomen de plaatsnaam waar aartsvader Jacob engelenbescherming genoot, maar wordt hier gebruikt ter aanduiding van de twee engelenscharen ter weerszijden van hem (vgl ‘auf beiden Seiten' in 5/2).

4. Recitatief (T)

tenor, strijkers, continuo

Was ist der schnöde Mensch, das Erdenkind?Wat is de ellendige mens, dat kind van de aarde?
Ein Wurm, ein armer Sünder.Een worm, een arme zondaar.
Schaut, wie ihn selbst der Herr so liebgewinnt,Kijk hoe de Heer zelfs hem zo liefheeft
daß er ihn nicht zu niedrig schätzetdat hij hem niet te gering acht
und ihm die Himmelskinder,en hem de hemelkinderen toezendt,
der Seraphinen Heer,het leger van de serafijnen,
zu seiner Wacht und Gegenwehr,om hem te bewaken en voor hem te strijden,
zu seinem Schutze setzet.om hem te beschermen.
beluister: Koopman

Zelfs arme zondaren worden door Gods engelenmacht beschermd, aldus de tenor in zijn recitatief (4); het strijkers-accompagnato roept het beeld op van een alomvattende beschutting.

5. Aria (T)

tenor, strijkers, trompet 1, continuo

Bleibt, ihr Engel, bleibt bei mir!Blijf, o engelen, blijf bij mij!
Führet mich auf beiden Seiten,Leid mij aan mijn beide zijden,
daß mein Fuß nicht möge gleiten!zodat mijn voet niet uitglijdt!
Aber lernt mich auch allhierMaar leer mij ook hier
euer großes Heilig singenuw grote 'Heilig!' zingen
und dem Höchsten Dank zu singen!en de Allerhoogste dank betuigen!
beluister: Koopman

Een tweede hoogtepunt in de cantate vormt, na het openingskoor, de tenoraria (5). Het gebed van de tenor om niet aflatende engelensteun, in een traag adagio tempo, wordt door de vierstemmige strijkersgroep begeleid, op het markante gepuncteerde ritme van de siciliano: van oorsprong een Italiaanse (Siciliaanse) herdersdans, die bij Bach o.m. bekend is uit de ouverture (‘Hirtenmusik') van de tweede cantate uit het Weihnachts-Oratorium; hier fungeert het als herkenningsmotief van engelen. Geen groter contrast dan tussen deze breekbare menselijke smeekbede en het turbulente wapengekletter van (1).

Maar op onvoorspelbare momenten speelt de trompet boven deze intieme persoonlijke smeekbede melodieregels van het koraal Herzlich lieb hab ich dich, o Herr (Martin Schalling, 1569), het koraal waarvan het derde en laatste couplet het slotkoraal vormt van de Johannes-Passion (en trouwens ook van de latere Michaelis-cantate BWV 149).

De koraalmelodie structureert de aria als geheel. Niet alleen veroorzaken de dertien koraalregels een uitzonderlijk lange aria, 140 maten Adagio, maar ook leidt de herhaling van de eerste drie koraalregels (uit de voor koralen karakteristieke A-A-B-structuur) tot een herhaling in de aria: de maten 9-36 zijn identiek aan 41-68; althans voorzover het de instrumentalisten betreft: ter intensivering van de muziek schrijft Bach onder de eerste drie koraalregels één regel ariatekst, en onder de tweede twee.

Met een dergelijk tekstloos citaat van een bekend kerklied geeft Bach wel vaker een extra betekenislaag aan zijn composities, en een relevante vraag is derhalve welke tekst Bach kon verwachten dat zijn toehoorders hierbij zou te binnen schieten. Meestal zal dat het eerste couplet zijn geweest (zie hieronder) maar omdat dit weinig specifieks toevoegt veronderstelt men meestal het derde, Ach Herr, laß Dein lieb Engelein, vanwege de duidelijke relatie met engelen. Daarop valt af te dingen dat de functie van engelen als begeleiders van gestorvenen pas in het volgende recitatief wordt gelegd, maar wat er sterk vóór pleit is dat deze woorden, wanneer de begintekst bleibt bei mir terugkeert (vanwege de "gewijzigde da-capo"-structuur) worden overstraald door de melodie van erhöre mich, erhöre mich.

Betekenisvol is bovendien dat de koraalmelodie in een majeur toonsoort staat en de aria in mineur. Zo klinkt dus boven het introverte, zoekende en bezorgde e-klein van de tenor het uitgesproken positieve en extraverte G-groot van het koraal: het aarzelend gebed van de individuele aardse sterveling overkoepeld door de stelligheid van het lied van de voltallige congregatie.

 

vers 1

 

Herzlich lieb hab' ich dich, o Herr,

ich bitt', woll'st sein von mir nicht fern

mit deiner Güt' und Gnaden.

Die ganze Welt nicht freuet mich,

nach Himmel und Erd' nicht frag' ich,

wenn ich dich nur kann haben;

und wenn mir gleich mein Herz zerbricht,

so bist doch du mein' Zuversicht,

mein Teil und meines Herzens Trost,

der mich durch sein Blut hat erlöst.

Herr Jesu Christ,

mein Gott und Herr, mein Gott und Herr,

in Schanden laß mich nimmermehr!

vers 3

 

Ach, Herr, laß dein' lieb' Engelein

am letzten End' die Seele mein

in Abrahams Schoß tragen!

Der Leib in sein'm Schlafkämmerlein

gar sanft, ohn' ein'ge Qual und Pein,

Ruh' bis am Jüngsten Tage.

Alsdenn vom Tod erwecke mich

daß meine Augen sehen dich

in aller Freud', o Gottes Sohn,

mein Heiland und mein Gnadenthron!

Herr Jesu Christ,

erhöre mich, erhöre mich,

ich will dich preisen ewiglich!

6. Recitatief (S)

sopraan, continuo

Laßt uns das AngesichtLaten wij het aangezicht
der frommen Engel liebenvan de vrome engelen liefhebben
und sie mit unsern Sünden nichten hen niet met onze zonden
vertreiben oder auch betrüben.verjagen of verdriet doen.
So sein sie, wenn der Herr gebeut,Mogen zij, wanneer de Heer ons opdraagt
der Welt Valet zu sagen,de wereld vaarwel te zeggen,
zu unsrer Seligkeittot onze zaligheid
auch unser Himmelswagen.ook onze hemelwagen zijn.
beluister: Koopman

In haar secco recitatief (6) roept de sopraan haar medegelovigen op de steun der engelen niet door zonden te verspelen, zodat zij ons ook na de dood kunnen begeleiden. De woorden Sünden en Welt worden - al bijna voorspelbaar - onderstreept met de meest dissonante akkoorden waarover Bach beschikte: verminderd-septiemakkoorden, het "Barabbam-akkoord".

7. Koraal

tutti + instrum.

Laß dein Engel mit mir fahrenLaat uw engelen met mij mee reizen
auf Elias Wagen rotop Elia's rode wagen
und mein Seele wohl bewahren,en mijn ziel bewaren,
Wie Lazrum nach seinem Tod.zoals ze Lazarus hebben bewaard na zijn dood.
Laß sie ruhn in deinem Schoß,Laat mijn ziel rusten in uw schoot,
erfüll sie mit Freud und Trost,vervul haar met vreugde en troost,
bis der Leib kommt aus der Erdetotdat het lichaam uit de aarde komt
und mit ihr vereinigt werde.en met haar wordt verenigd.
beluister: Koopman

Tot slotkoraal dient het negende vers van het koraal Freu dich sehr, o meine Seele, een stervenskoraal van een anonieme auteur in Freiberg rond 1620; Bachs zetting in een dansante 3/4-maat getuigt ervan dat engelen ‘s mensen laatste reis kunnen verlichten. Zoals gebruikelijk dienen strijkers en hobo's slechts tot versterking van de koorstemmen; de drie trompetten voegen echter zelfstandige partijen toe, die uitdrukking geven aan de triomfantelijke hemelvaart van geredde zielen.

 

 

Spreektekst Utrecht 4/10/15