Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Es wartet alles auf dich (BWV 187)

Geschreven voor 7e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 4 aug 1726

Libretto: Ernst Ludwig I von Sachsen-Meiningen

Solisten SAB koor SATB orkest str ob1,2 cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Ria van Hengel

Deze cantate werd de afgelopen jaren regelmatig uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Nadat Bach binnen twee jaar na zijn ambtsaanvaarding te Leipzig zo'n 150 cantates heeft gecomponeerd (gemiddeld meer dan één per week), vertraagt zijn tempo. In het voorjaar van 1726 pauzeert hij zelfs geheel, als componist althans, en vult hij zijn wekelijkse cantateverplichtingen met 18 cantates van zijn verre achterneef Johann Ludwig uit Meiningen, zo'n tien jaar eerder geschreven op weer tien jaar oudere teksten (1704), waarschijnlijk van zijn broodheer, de graaf Ernst Ludwig van Saksen-Meiningen. Deze teksten bevallen Sebastian blijkbaar zodanig dat hij, wanneer hij medio 1726 weer stevig begint te produceren, zelf een reeks van zeven cantates schrijft op teksten uit die bundel. Cantate BWV 187, Es wartet alles auf dich, behoort tot deze groep 'Meininger cantates', die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze uit twee delen bestaan: een oudtestamentische en een nieuwtestamentische bijbeltekst, elk gevolgd door een recitatief en een aria. Zo ontstaat een symmetrische structuur, met de nieuwtestamentische tekst in het midden:Het zijn ook allemaal tweedelige cantates, waarvan de eerste helft vóór en de tweede na de preek werd uitgevoerd.

Bach schreef BWV 187 voor de 7e zondag na Trinitatis, 4 augustus 1726, waarvoor de evangelietekst (Marcus 8:1-9) verhaalt hoe Jezus met zeven broden en een paar visjes een menigte van vierduizend mensen te eten geeft, waarna er nog zeven manden restanten overblijven. Dit verhaal komt in de cantate niet expliciet aan de orde, maar geeft de tekstdichter in Deel I aanleiding God in het algemeen te prijzen voor de vruchtbaarheid van de aarde, een tekst met enige actualiteit in tijden van hollende milieuvernietiging. Deel II roept de gelovige op tot een onbezorgd godsvertrouwen. Het kost de librettist weinig moeite om in het Oude en Nieuwe Testament daarbij passende teksten te vinden voor de delen (1) en (4).

Bach zelf rekende deze blijmoedige cantate blijkbaar tot zijn meest geslaagde composities, want toen hij een jaar of tien later zijn vier 'Lutherse Missen' assembleerde uit bestaande cantatedelen gebruikte hij maar liefst alle daarvoor in aanmerking komende delen (dus geen recitatieven en koralen) uit cantate 187 voor zijn 'Mis in g-klein' BWV 235.

 

DEEL I

1.     Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, continuo

»Es wartet alles auf dich, "Allen zien ernaar uit
daß du ihnen Speise gebest zu seiner Zeit. dat u hun voedsel geeft op de juiste tijd.
Wenn du ihnen gibest, so sammlen sie, Als u het geeft, dan nemen ze het tot zich,
wenn du deine Hand auftust, als u uw hand opent,
so werden sie mit Güte gesättiget.«dan worden ze met goedheid verzadigd."
beluister: Koopman

Het uitgebreide openingskoor (1) behandelt de verzen 27 en 28 van Psalm 104, die elk weer tweeledig zijn en de overvloedigheid van Gods schepping bezingen. De nogal lange prozatekst vormt een probleem voor de componist. De generatie vóór Bach zou, volgens de oude motettraditie, de tekst in stukken knippen en de verschillende zinsdelen elk van eigen, karakteristieke muziek voorzien: warten, speisen, sammlen etc. Het resultaat zou zijn dat je ten slotte vier of zes verschillende stukken muziek hebt gehoord, zonder samenhang. Daar neemt Bachs generatie geen genoegen meer mee. Bach sticht eenheid in de eerste plaats met zijn van het begin tot het eind doorgaande concertante instrumentale begeleiding, die aan eigen thema's vasthoudt, ongeacht de vocale gebeurtenissen. Dat instrumentale decor wordt in de eerste 27 maten opgetrokken in een Sinfonia van strijkers, twee hobo's en continuo. In de instrumentale thematiek vallen drie elementen op:
- een inleidende, stijgende kwartsprong ('Wil-HEL-mus'), die later ook in de vocale thema's zal terugkeren;
- een over één octaaf dalende toonladder, die dus alle noten van die toonladder bestrijkt en daarmee, zoals we wel vaker zien, het woordje alles verbeeldt;
- een kabbelend figuurtje dat warten (wachten) zou kunnen uitdrukken, trommelen met je vingers, komt er nog wat van...Tegen dit instrumentale decor klinken drie vocale episoden, waarin Bach telkens verschillende tekstgedeelten met elkaar combineert.
De eerste (A in het schema) behandelt psalmvers 27. De eerste halfzin (Es wartet alles auf dich) wordt eerst canonisch verwerkt, achtereenvolgens door alt, sopraan, bas en tenor (ASBT) en vervolgens in combinatie met de tweede halfzin (daß du ihn Speise ...). De instrumentalisten spelen mee met de koorstemmen (colla voci), maar de laatste zeven maten van het koor zijn 'ingebouwd' in een herhaling van de maten 7-14 van de Sinfonia. De twee verschillende thema's waarop de tekst Es wartet klinkt hebben met elkaar gemeen een verlengde, overgebonden noot die het 'wachten' uitdrukt, en ze beginnen met de kwartsprong waarmee ook de instrumentalisten begonnen. Steeds wordt Alles met veel noten (melisma) gevuld.
Na een instrumentaal intermezzo volgt in deel B (vanaf m. 66) vers 28 als een wat strengere koorfuga. De eerste halfzin (Wenn du ihnen gibest ...) dient tot fugathema (th in het schema) dat elke drie maten door een volgende stem wordt ingezet; de tweede halfzin (Wenn du deine Hand ...) dient als tegenstem (contrapunt, cp). Een eerste fugaexpositie gaat door alle vier stemmen, van onder naar boven (BTAS), terwijl strijkers de koorpartijen verdubbelen. In een tweede expositie (SATB, m. 84 vv.) begeleiden de instrumenten met fragmenten van hun eigen thematiek, in een derde (SATB, m. 95 vv.) gaat het hoboduo voluit concertant zijn eigen gang.
Ten slotte (deel C, m. 113 vv.) recapituleert het koor de volledige tekst van beide verzen boven een letterlijke herhaling van het laatste deel van de Sinfonia: 'koorinbouw'.Door de combinatie van ouderwets polyfone technieken en modern concertante vormen geldt dit stuk als een hoogtepunt in Bachs oeuvre, dat bovendien een zeer aantrekkelijk muziekstuk oplevert. Bach zelf is over de muziek blijkbaar zo tevreden dat hij deze tien jaar later vrijwel ongewijzigd gebruikt in het slotkoor Cum Sancto Spiritu van zijn 'Mis in g-klein' (BWV 235), waar hij helemaal geen lange tekst hoeft te verwerken maar daarentegen de korte nieuwe tekst op verschillende thema's kan herhalen.

2.     Recitatief (B)

bas, continuo

Was Kreaturen hält das große Rund der Welt! Wat een scheppingen bevat de grote aardbol!
Schau doch die Berge an, Kijk toch naar de bergen,
da sie bei tausend gehen; waarvan er wel duizend zijn;
was zeuget nicht die Flut? wat brengen de wateren wel niet voort,
Es wimmeln Ström und Seen. rivieren en meren zijn vol met gewemel.
Der Vögel großes Heer Grote zwermen vogels
zieht durch die Luft zu Feld. trekken door de lucht naar het veld.
Wer nähret solche Zahl, Wie voedt die hoeveelheden,
und wer vermag ihr wohl die Notdurft abzugeben? en wie kan ze geven wat ze nodig hebben?
Kann irgendein Monarch nach solcher Ehre streben? Kan ook maar één heerser die eer opeisen?
Zahlt aller Erden Gold Kan al het goud van de aarde
ihr wohl ein einig Mahl?ook maar voor één maaltijd zorgen?
beluister: Koopman

Voor het slechts door continuo begeleide (secco) recitatief van de bas (2) heeft de tekstdichter zich verder door Psalm 104: 17 en 25 laten inspireren. Van de vele mogelijkheden om woorden muzikaal te illustreren maakt Bach nauwelijks gebruik; slechts de Berge zijn hoog en de retorische vragen worden besloten met een harmonisch vraagteken, een 'halfslot' ('op de dominant') dat om een vervolg vraagt.

3.     Aria (A)

alt, strijkers, hobo 1 colla parte viool, continuo

Du Herr, du krönst allein das Jahr mit deinem Gut. U alleen, Heer, kroont het jaar met uw goede gaven.
Es träufet Fett und Segen Overvloed en zegen druppelen
auf deines Fußes Wegen, op de wegen waar uw voet gaat,
und deine Gnade ists, die allen Gutes tut.en het is uw genade die iedereen goed doet.
beluister: Koopman

Het antwoord op de retorische vragen komt uit Psalm 65:12: God zorgt voor ons door de natuur. Een gelukzalig danklied (3) voor de alt, die daarin wordt begeleid door de strijkers en een hobo die slechts de melodie van de eerste violen kleurt. Het dansante 3/8-ritme wordt verlevendigd doordat de strijkers regelmatig twee maten van drie tellen interpreteren als drie maten van twee tellen ('hemiool'). De aria heeft een gevarieerde da-capostructuur (A-B-A'), met veelvuldige herhaling van de hoofdzin, een compact middendeel en ten slotte een herhaling van het inleidende ritornel.

Een telkens één stapje lager herhaalde figuur (sequens, m. 11-14) met veel staccatonootjes verbeeldt het neerdruppelen (träufen) van Gods zegen. Bach hergebruikte de muziek voor het Domine Fili unigenite, deel 4 van zijn 'Mis in g-klein', BWV 235.

 

DEEL II

4.     Aria (B)

bas, viool 1, viool 2 colla parte viool, continuo

»Darum sollt ihr nicht sorgen noch sagen: "Daarom moeten jullie niet bezorgd vragen:
Was werden wir essen, was werden wir trinken, Wat zullen we eten, wat zullen we drinken,
womit werden wir uns kleiden? waarmee zullen we ons kleden?
Nach solchem allen trachten die Heiden. Met dat soort dingen houden de heidenen zich bezig.
Denn euer himmlischer Vater weiß, Want uw hemelse vader weet
daß ihr dies alles bedürfet.«dat jullie dat allemaal nodig hebben."
beluister: Koopman

Deel II opent met (4) de nieuwtestamentische tekst, de verzen 31 en 32 van Matteüs 6, een passage uit de Bergrede van Jezus, die de angstige discipelen terechtwijst en derhalve door de bas als Vox Christi wordt gezongen. De tekst, die geloofwaardigheid ontleent aan de evangelielezing over de spijziging der vierduizend, wordt persoonlijker en spreekt de toehoorder (ihr) direct aan.
Hoewel onze uitgaven dit solostuk voor een bas met instrumentale begeleiding als 'aria' beschouwen, gebruikt Bach die aanduiding niet; voor hem is een 'aria' een subjectieve gevoelsuiting op een metrische tekst en dus geen passende titel voor een compositie op bijbels, belerend proza. Hij gebruikt in zo'n geval de aanduiding arioso. Bachs toonzetting van deze tekst is dan ook streng en sober: er is, buiten het continuo, slechts één begeleidende stem, bestaande uit de unisono spelende vioolgroepen. En ook de compositiestijl is streng, ouderwets contrapuntisch, zonder barokke versieringen. Het thema van de bas is een vereenvoudigde versie van wat vanaf maat 1 klinkt in de strijkers- en continuopartijen. Het wordt voortdurend herhaald, zodat de centrale boodschap permanent instrumentaal wordt vertolkt.
De tekst wordt in drie delen behandeld. Er is geen da capo, de begintekst keert niet terug, alleen het ritornel wordt aan het slot herhaald.
De muziek zal later dienen voor het 'Gratias agimus tibi' in de mis BWV 235.

5.     Aria (S)

sopraan, hobo 1, continuo

Gott versorget alles Leben,God zorgt voor al het leven
was hienieden Odem hegt.dat hier beneden adem heeft.
Sollt er mir allein nicht geben,Zou hij alleen aan mij niet geven
was er allen zugesagt?wat hij aan iedereen heeft beloofd?
Weicht, ihr Sorgen, seine TreueVerdwijn, zorgen, zijn trouw
ist auch meiner eingedenkdenkt ook aan mij
und wird ob mir täglich neueen wordt voor mij dagelijks vernieuwd
durch manch Vaterliebs Geschenk.door menig geschenk van vaderliefde.
beluister: Koopman

De sopraan,  die zo vaak aan het slot van een cantate optreedt omdat zij zich als belichaming van de Gläubige Seele het voorafgaande ter harte neemt, dankt God in haar aria (5) voor diens voorzienigheid. Met zijn modern concertante karakter contrasteert de aria met het voorafgaande. De sopraan wordt begeleid door een virtuoze hobosolo, in een traag (adagio) tempo en een gepuncteerd ritme () dat aan de opening van Franse Ouvertures doet denken en daarom iets plechtigs heeft. De sopraan volgt weliswaar de hobo in diens eerste noten, maar kan hem uiteraard niet volgen in zijn vele sierlijke guirlandes.

Met het veel stelliger tweede deel van de tekst, Weicht, ihr Sorgen etc., verandert ook het karakter van de aria: het tempo versnelt (un poco allegro), de gedragen 4/4-maat gaat over in een dansante 3/8-maat en de hobo speelt slechts luchtige gebroken akkoorden, waardoor de sfeer opklaart naar een meer aardse vrolijkheid.

Er is geen da capo, de sopraan en de begintekst keren niet terug, slechts de hobo herinnert vijf maten lang aan de sfeer van het begin.

De twee delen van de aria zullen, zonder de laatste vijf maten, tien jaar later dienen als tenoraria met de teksten 'Qui tollis peccata mundi' en 'Quoniam tu solus sanctus' in de 'Mis in g-klein'.

6.     Recitatief (S)

sopraan, strijkers, continuo

Halt ich nur fest an ihm Als ik me maar aan hem vasthoud
mit kindlichem Vertrauen met kinderlijk vertrouwen
und nehm mit Dankbarkeit, en dankbaar aanneem
was er mir zugedacht, wat hij mij heeft toebedacht,
so werd ich mich nie ohne Hülfe schauen, dan zie ik dat ik nooit zonder hulp zal zijn,
und wie er auch vor mich en dat hij ook voor mij
die Rechnung hab gemacht. de rekening heeft opgemaakt.
Das Grämen nützet nicht, die Mühe ist verloren, Treuren helpt niet, het is verloren moeite
die das verzagte Herz um seine Notdurft nimmt; als het moedeloze hart zich zorgen maakt;
der ewig reiche Gott de eeuwig rijke God
hat sich die Sorge auserkoren, heeft de zorg op zich genomen,
so weiß ich, daß er mir daarom weet ik dat hij er ook voor zorgt
auch meinen Teil bestimmt.dat ik mijn deel krijg.
beluister: Koopman

In haar slotrecitatief (6) vat de sopraan de boodschap van de cantate samen. Geborgen in fraaie strijkersakkoorden neemt ze zich voor zonder piekeren (Grämen) op God te vertrouwen, wat die haar ook heeft beschoren. Momenten van twijfel (Grämen, verzagte Herz) kleurt Bach met dissonante akkoorden.

7.     Koraal

tutti

Gott hat die Erde zugericht', God heeft de aarde gereedgemaakt,
läßts an Nahrung mangeln nicht; en laat het niet aan voedsel ontbreken;
Berg und Tal, die macht er naß, op berg en dal laat hij het regenen,
daß dem Vieh auch wächst sein Gras; zodat er ook gras groeit voor het vee;
aus der Erden Wein und Brot God laat de aarde wijn en brood
schaffet Gott und gibts uns satt, voortbrengen om ons te verzadigen,
daß der Mensch sein Leben hat. zodat de mens kan leven.


Wir danken sehr und bitten ihn, Wij zijn heel dankbaar en vragen hem
daß er uns geb des Geistes Sinn, ons het verstand van de Geest te geven,
daß wir solches recht verstehn, zodat wij dat goed begrijpen,
stets in sein' Geboten gehn, steeds naar zijn geboden leven,
seinen Namen machen groß zijn naam groot maken
in Christo ohn Unterlaß: in Christus zonder ophouden:
so singn wir recht das Gratias.dan zingen wij terecht het Gratias.
beluister: Koopman

Tot slotkoraal dienen maar liefst twee coupletten (4 en 6) van het zelden gebruikte lied Singen wir aus Herzensgrund (1563) van Hans Vogel (Frankfurt/Oder 1508), op de melodie van het voorreformatorisch Boheemse kerstlied Da Christus geboren war. De levendige vierstemmige harmonisering is uiteraard van Bachs hand, maar de 3/4-maat die Bach in sommige slotkoralen naar behoeven introduceert is hier origineel en sluit mooi aan bij de maatsoorten van de beide aria's.

De keuze van de twee verzen, die immers uit een bestaande, beperkte voorraad kerkliederen moest geschieden, verdient speciale waardering: vers 1 resumeert de scheppingsrijkdom van Deel I, en vers 2 de dankbaarheid van de gelovige in Deel II.

Nu er twee coupletten worden gezongen kunnen we in Bachs harmonisering geen woordgebonden elementen verwachten.