Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Wer Dank opfert, der preiset mich (BWV 17)

Geschreven voor 14e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 22 sep 1726

Libretto: Ernst Ludwig I von Sachsen-Meiningen

Solisten SATB koor SATB orkest str vsolo1,2 ob1,2 cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Leo de Leeuw

Deze cantate werd de afgelopen jaren vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

In zijn vierde seizoen te Leipzig schrijft Bach voor 22 september 1726 zijn derde en laatste cantate voor de 14e zondag na Trinitatis. Als componist doet hij het inmiddels wat rustiger aan gezien hij in de voorafgaande maanden maar liefst achttien cantates uitvoerde van zijn Meininger neef Johann Ludwig Bach (1677-1731). Wanneer hij vervolgens zijn ganzenveer weer ter hand neemt, schrijft hij zeven cantates op teksten uit dezelfde twee jaargangen Kirchen-Music waaraan ook Johann Ludwig zijn teksten ontleende, teksten omstreeks 1704 geschreven door Ludwigs broodheer, hertog Ernst Ludwig I van Sachsen-Meiningen. Bachs ‘Meininger' cantates hebben daarom eenzelfde symmetrische structuur als die van zijn neef: twee delen, uit te voeren voor en na de prediking, elk beginnend met een bijbelcitaat (resp. oud- en nieuwtestamentisch), gevolgd door een recitatief en een aria en besloten met een koraalvers.Centrum van de cantate vormt derhalve het nieuwtestamentische bijbelcitaat, dat in dit geval komt uit de voorgeschreven evangelielezing Lucas 17: 11-19, de genezing door Jezus van tien melaatsen, van wie er ten slotte slechts één, prijzend en dankzeggend, bij hem terugkeert; en die ene was een Samaritaan, lid van een bevolkingsgroep die bij de Joden een slechte naam had en pas onder het christendom uitgroeide tot symbool van menslievendheid. De cantate is daarom één grote lofprijzing voor Gods weldaden (deel I) en de taak van de christen (deel II) om God daarvoor te danken, aangezien al dit goeds slechts de voorsmaak is van de eeuwige zaligheid. Niets over zonde, kommer en kwel ditmaal.

 

DEEL I

1. Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, continuo

»Wer Dank opfert, der preiset mich,Wie dank brengt, die prijst mij,
und das ist der Weg,en dat is de weg
daß ich ihm zeige das Heil Gottes.«waarlangs ik hem het heil van God laat zien.
beluister: Koopman

De tekst van het openingskoor (1) waaraan de cantate zijn titel ontleent is het drieëntwintigste en laatste vers van de overigens nogal onverzoenlijke Psalm 50: lofprijzing baant de weg naar het heil. De twee delen van deze slotzin vormen de tekst voor een fugathema en het eerste tegenthema (contrapunt) waarmee dat voortdurend wordt gecombineerd.

thema: Wer Dank opfert, der preiset mich,
contrapunt und das ist der Weg, daß ich ihm zeige das Heil Gottes.

De koorfuga wordt ingeleid door een lange instrumentale sinfonia waarin nog geen thematisch materiaal is verwerkt. De twee hobo's verdubbelen de twee violen, maar zullen verderop zelfstandige partijen spelen.

 

De tenor introduceert het fugathema, gevolgd door alt, sopraan en bas (TASB); na een transparant begin keren steeds meer instrumentalisten terug, aanvankelijk de koorpartijen verdubbelend, en vervolgens fragmenten van hun sinfonia herhalend met koorpartijen daarin ingebouwd. Op een eerste afsluiting volgen twee luchtige vocale en instrumentale duetjes (S/B, A/T), waarin de koppen van thema en tegenthema (dus de helft van de tekst) nog eens helder tegenover elkaar worden gearticuleerd, waarna een tweede fuga-expositie volgt, nu in de volgorde BTSA. Ook in het hier zich verdichtende stemmenweefsel introduceert het orkest weer episodes uit zijn sinfonia, waarna de fuga, zonder grote contrapuntische kunststukjes uitloopt in een werveling van lange jubelende melisma's. In de laatste maten markeert de alt een lange liggende A nog eens met nadrukkelijk richtinggevende kwartnoten op de tekst und das ist der Weg. (Meer dan tien jaar later hergebruikte Bach de muziek van dit openingskoor voor het slotkoor Cum Sancto Spiritu van zijn lutherse Mis in G (BWV 236).

2. Recitatief (A)

alt, continuo

Es muß die ganze WeltDe hele wereld moet
ein stummer Zeuge werdeneen stille getuige worden
Von Gottes hoher Majestät,van Gods hoge majesteit,
Luft, Wasser, Firmament und Erden,lucht, water, het firmament en de aarde,
wenn ihre Ordnung als in Schnuren geht;als zij zich voegen in de hun toegemeten orde;
ihn preiset die Natur mit ungezählten Gaben,hem prijst de natuur met haar ontelbare gaven,
die er ihr in den Schoß gelegt,die hij haar in de de schoot gelegd heeft
und was den Odem hegt,en wat adem heeft
will noch mehr Anteil an ihm haben,zal nog meer deel aan hem hebben
wenn es zu seinem Ruhmals het tot zijn eer
so Zung als Fittich regt.zowel de tong als de vleugel roert.
beluister: Koopman

Terwijl de concertante koren en aria's, alle in majeur toonsoorten, deze cantate een uitnodigende en opgewekte sfeer verlenen, hebben de drie tussenliggende recitatieven, die de inhoud van de cantate dragen, de ingetogen en sobere vorm van secco, slechts door continuo begeleide recitatieven, in mineur toonsoorten.

In recitatief (2) voert de alt de goed geordende (in Schnuren) maar zwijgzame (stumme) natuur op als eerste getuige van Gods goedheid; Majestät, Luft en Firmament staan hoorbaar hoger dan Wasser en Erden. En vervolgens alles wat zich laat horen: mensen (Zung) en vogels (Fittich = vleugel, wiek.)

3. Aria (S)

sopraan, solo viool 1/2, continuo

Herr, deine Güte reicht,Heer, uw goedheid
so weit der Himmel ist,reikt hemelhoog,
und deine Wahrheit langt,en uw waarheid reikt
so weit die Wolken gehen.tot waar de wolken gaan.
Wüßt ich gleich sonsten nicht,Als ik toch al niet zou weten
wie herrlich groß du bist,hoe heerlijk groot u bent,
so könnt ich es gar leichtdan kon ik het heel makkelijk
aus deinen Werken sehen.aan uw werken zien.
Wie sollt man dich mit DankHoe zou men u daarvoor
davor nicht stetig preisen?niet steeds met dank prijzen?
da du uns willst den WegOmdat u ons de weg
des Heils hingegen weisen.van uw heil wilt wijzen.
beluister: Koopman

De tekst van sopraanaria (3) bevat strikt beschouwd geen vrije poëzie maar bestaat hoofdzakelijk uit parafrases van Psalm 36:6 en van de openingstekst, Psalm 50: 23. Het verwondert daarom niet dat ook instrumentale motieven uit het beginkoor terugkeren in de begeleiding door de twee, veelal canonisch opererende soloviolen, boven een permanent in achtsten voortstappend continuo. De drie tekstzinnen komen aan de orde in drie vocale passages die door een verkort ritornel gescheiden. In plaats van een formeel da capo entameren de violen hun slotritornel al tijdens de laatste woorden van de sopraan. Een bijkans naïeve en lichtvoetige lofprijzing, in het besef dat dank voor Gods schepping de weg is die de gelovige dient te gaan.

 

DEEL II

4. Recitatief (T)

tenor, continuo

»Einer aber unter ihnen, Eén van hen,
da er sahe, daß er gesund worden war, die zag dat hij gezond geworden was
kehrete um und preisete Gott mit lauter Stimme keerde om en prees God met luider stem
und fiel auf sein Angesicht zu seinen Füßen en viel met zijn aangezicht voor zijn voeten neer
und dankte ihm, en dankte hem,
und das war ein Samariter.«en dat was een Samaritaan.
beluister: Koopman

Deel II van de cantate is gewijd aan de dank waartoe Gods weldaden de christen verplichten. Het centrale punt uit de evangelietekst, Lucas 17: 15-16, wordt vanwege zijn verhalende karakter door de tenor als door een evangelist voorgedragen in een onbegeleid secco recitatief (4); op hoge toon onderstreept hij mit lauter Stimme en met lage noten fiel zu Füßen.

5. Aria (T)

tenor, strijkers, continuo

Welch Übermaß der Güte Wat een overvloed aan goedheid
schenkst du mir! schenkt u mij!
Doch was gibt mein Gemüte dir dafür? Maar wat geeft mijn hart u daarvoor terug?
Herr, ich weiß sonst nichts zu bringen, Heer, ik weet u niets anders aan te bieden
als dir Dank und Lob zu singen.dan u dank en lof te zingen.
beluister: Koopman

Als was hij de Samaritaan zelf heft de tenor vervolgens in zijn aria (5) een lyrisch loflied aan, in onverbloemd dansritme en begeleid door het volledige strijkorkest. Opnieuw drie tekstzinnen die in drie vocale episodes worden verwerkt en, zonder herhaling van de beginregel, worden afgesloten met het volledige instrumentale ritornel dat de aria opende. De woorden Lob en Dank nodigen de tenor tot uitbundige coloraturen.

6. Recitatief (B)

bas, continuo

Sieh meinen Willen an, Zie wat ik wil,
ich kenne, was ich bin: ken mij zoals ik ben:
Leib, Leben und Verstand, lichaam, leven en verstand,
Gesundheit, Kraft und Sinn, gezondheid, kracht en geest,
der du mich läßt mit frohem Mund genießen, die gij mij vol blijdschap laat genieten,
sind Ströme deiner Gnad, zijn stromen van uw genade,
die du auf mich läßt fließen. die u over mij heen laat vloeien 
Lieb, Fried, Gerechtigkeit Liefde, vrede, gerechtigheid
und Freud in deinem Geist sind Schätz, en vreugde in uw geest zijn schatten
dadurch du mir schon hier ein Vorbild weist, waarmee u mij hier al een voorsmaak geeft
was Gutes du gedenkst mir dorten zuzuteilen van het goede dat u mij ginds denkt toe te bedelen
und mich an Leib und Seel om mij naar lichaam en ziel
vollkommentlich zu heilen.volkomen heel te maken.
beluister: Koopman

In het derde secco recitatief (6) van deze cantate trekt de bas de lijn van Gods goedgunstigheid door naar wat de gelovige hiernamaals te wachten staat. De tekst is gebaseerd op een regel uit Paulus' brief aan de Romeinen (14:17); de adellijke tekstdichter getuigt daarmee niet alleen bij herhaling van een grote bijbelvastheid maar ook van een merkbare voorliefde voor het aaneenrijgen van substantieven.

7. Koraal

tutti

Wie sich ein Vatr erbarmetZoals een vader zich ontfermt
ubr seine junge Kindlein klein:over zijn kleine kinderen,
So tut der Herr uns Armen,zo doet de Heer aan ons, arme schepselen,
so wir ihn kindlich fürchten rein.als wij hem recht kinderlijk vrezen.
Er kennt das arme Gemächte,Hij weet wat voor maaksel wij zijn,
Gott weiß, wir sind nur Staub.God weet dat wij slechts stof zijn,
Gleichwie das Gras vom Rechen,als gras dat wordt weggeharkt,
ein Blum und fallendes Laub,een bloem en vallend loof,
der Wind nur drüber wehet,als de wind erover waait
so ist es nimmer da:is het weg.
also der Mensch vergehet,Zo vergaat de mens,
sein End, das ist ihm nah.zijn einde is nabij.
beluister: Koopman

BWV 17 besluit (7) met een zetting van het derde couplet van Johann Gramanns (1487-1541) lied Nun lob, mein Seel, den Herren (1530), één van de oudere liederen van het lutheranisme. In overeenstemming met het opgewekte karakter van de hele cantate heeft Bach de melodie tot een wiegende driekwartsmaat herleid maar voor het overige is de zetting eenvoudig, maar daarom niet minder fraai. Slechts Blum und fallendes Laub leidt tot enige polyfonie in de stemvoering, en der Mensch vergehet, sein End (laatste regels) tot enige chromatiek. (Een Reche is een hark.) (Bach gebruikt deze koraalmelodie ook in het tweede deel van het motet Singet dem Herrn, BWV 225.)