Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Ihr, die ihr euch von Christo nennet (BWV 164)

Geschreven voor 13e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 26 aug 1725

Libretto: Salomo Franck

Solisten SATB orkest str trav1,2 ob1,2 cont

Totaal 6 delen, 1 koraal

Vertaling: Ria van Hengel

Deze cantate werd de afgelopen jaren zelden uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Bach schreef zijn cantate 164 voor zondag 26 augustus 1725, de dertiende zondag na Trinitatis. Op die dag worden uit het evangelie van Lucas de verzen 23-37 van hoofdstuk 10 gelezen. In voorgaande jaren concentreerden Bachs cantates voor deze zondag zich respectievelijk op het eerste deel van het daarin vervatte ‘dubbelgebod', Du sollt Gott, deinen Herren, lieben (vers 27a, BWV 77, 1723) en het tweede, ‘daaraan gelijk', und deinen Nächsten wie dich selbst (vers 27b, BWV 33, 1724). In 1725 behandelt hij Jezus' antwoord op de vervolgvraag van de Joodse schriftgeleerden 'en wie is dan mijn naaste?', een antwoord in de vorm van de parabel van de barmhartige Samaritaan: twee hooggeplaatste Joden, een priester en een tempeldienaar (Leviet) maken hun handen niet vuil aan een langs hun weg aangetroffen beroofde en mishandelde man, pas een Samaritaan, behorend tot een miskende bevolkingsgroep, grijpt in en verzorgt ‘s mans wonden. De kritiek op de Joodse officials die in deze gelijkenis ligt besloten, wordt in de cantate gericht tot de christenheid, die ihr euch von Christo nennet: waar blijft jullie barmhartigheid!?

Veel commentatoren karakteriseren BWV 164 als ‘intiem', kamermuziek, vanwege het ontbreken van een openingskoor; een vierstemmig koor treedt slechts op in het slotkoraal, en dat koor zou, zo erkennen ook deze commentatoren, wel eens uitsluitend bestaan kunnen hebben uit de vier solisten die de voorafgaande recitatieven en aria's zongen. Er is echter geen bewijs dat Bachs cantatekoor regelmatig groter was dan deze vier concertisten. Pas wie dat beseft kan zien dat de bezetting van deze cantate veeleer groter is dan de meeste andere: behalve de alleszins gebruikelijke continuogroep, strijkers en twee hobo's spelen er twee traverso's. Opvallend is anderzijds dat die twee hobo's niet concertant optreden, als groep tegenover bijv. strijkers of traverso's, en géén solopartijen spelen maar slechts unisono met de violen worden ingezet in duet (5) en - als versterking van de sopraanpartij - in koraal (6).

Een andere algemene karakteristiek is dat de cantate zich vrijwel voortdurend in mineur afspeelt; pas het slotkoraal staat in een majeur toonsoort. Opmerkelijk is bovendien dat in alle drie de aria's canons, de strengste vorm van imitatie, een belangrijke rol spelen. En geen van die aria's heeft de ‘normale', al dan niet gevarieerde da-capostructuur, A-B-A; de afwijkende structuren zijn achtereenvolgens

                   (1) A-B-A'-B',                  (3) A-B-B         en                  (5) A-B-C-ABC.

Voor het libretto van deze cantate grijpt Bach terug naar de bundel Evangelisches Andachts-Opffer uit 1715 van de Weimarer bibliothecaris en hofpoëet Salomo Franck, waaruit Bach destijds in Weimar veel cantateteksten betrok (maar voorzover wij weten waarschijnlijk niet voor een dertiende zondag na Trinitatis).

1. Aria (T)

tenor, strijkers, continuo

Ihr, die ihr euch von Christo nennet, Jullie noemen je christen,
wo bleibet die Barmherzigkeit, maar waar blijft de barmhartigheid
daran man Christi Glieder kennet? waaraan de ledematen

van Christus te herkennen zijn?
Sie ist von euch, ach, allzu weit. Ach, die is veel te ver weg,
Die Herzen sollten liebreich sein, de harten zouden liefdevol moeten zijn,
so sind sie härter als ein Stein.maar ze zijn harder dan een steen.
beluister: Koopman

Het vierstemmige strijkersensemble begeleidt de tenor in aria (1). Strijkers en tenor delen dezelfde thematiek en vlechten daarmee een dicht geweven, vier- tot vijf-stemmig polyfoon netwerk van stromende achtste noten, op het 9/8 ritme dat aan een pastorale doet denken. Enkele details vallen op: de regelmatig canonisch terugkerende vier kwartnoten met de markante, retorische dalende kwintsprong in de themakop, het lange melisma op kennet, en de onwrikbare lange noten op Stein. Gelet op de tekst zou de tenor hier gezien kunnen worden als plaatsvervanger van de evangelist of als een prediker, die met een vrije interpretatie van de evangelietekst de christenen hun gebrek aan barmhartigheid voorhoudt. Francks weinig beeldrijke tekst laat ons in het onzekere wat Bach daarin heeft aangesproken en wat hij precies tot uitdrukking wilde brengen. Hij had bijvoorbeeld het contrast tussen lieblich en steinhart kunnen uitwerken maar dat zie ik niet. Ik houd het erop dat de lieflijke triolenstroom staat voor de barmhartigheid; hij wordt immers telkens bij de vraag wo bleibet sie even vervangen door stekelige staccatonoten van de strijkers. De mineur toonsoort is dan uitdrukking van treurnis over de falende gelovigen.

2. Recitatief (B)

bas, continuo

Wir hören zwar, was selbst die Liebe spricht: Wij horen weliswaar wat de liefde zelf zegt:
Die mit Barmherzigkeit Zij die hier de naaste
den Nächsten hier umfangen, met barmhartigheid omringen,
die sollen vor Gericht Barmherzigkeit erlangen. zullen voor het Gericht barmhartigheid ontvangen.
Jedoch, wir achten solches nicht! Maar daar slaan wij geen acht op!
Wir hören noch des Nächsten Seufzer an! Wij horen het zuchten van onze naaste,
Er klopft an unser Herz; hij klopt op ons hart,
doch wirds nicht aufgetan! maar er wordt niet opengedaan!
Wir sehen zwar sein Händeringen, Wij zien wel dat hij zijn handen wringt,
sein Auge, das von Tränen fleußt; dat er tranen uit zijn ogen stromen,
doch läßt das Herz sich nicht zur Liebe zwingen. maar ons hart laat zich niet tot liefde dwingen.
Der Priester und Levit, De priester en de leviet
der hier zur Seite tritt, die voorbijgaan,
sind ja ein Bild liebloser Christen; zijn het beeld van de liefdeloze christenen;
sie tun, als wenn sie nichts ze doen alsof ze het lijden
von fremdem Elend wüßten, van de ander niet zien,
sie gießen weder Öl noch Wein zij gieten geen olie of wijn
ins Nächsten Wunden ein.in de wonden van de naaste.
beluister: Koopman

Na een inleidende zin opent het secco, slechts door continuo begeleide recitatief (2) met een parafrase van een bekende zaligspreking uit Jezus' bergrede: 'zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden' (Matteüs 5:7), een quasi-bijbelcitaat, dat Bach met ritmische begeleiding in ariosostijl accentueert en waarin we de baszanger, zoals vaak, als Vox Christi kunnen identificeren. Maar het recitatief vervolgt met uitgebreide toelichtingen, waarin de bas optreedt namens de schuldbewuste aangeklaagden ('Wir‘). Het continuo steunt met verontrustende verminderd-septiemakkoorden woorden als Auge, liebloser, Öl en Wunden.

3. Aria (A)

alt, traverso 1/2, continuo

Nur durch Lieb und durch Erbarmen Alleen door liefde en door ontferming
werden wir Gott selber gleich. worden wij gelijk aan God.
Samaritergleiche Herzen Harten zoals dat van de Samaritaan
lassen fremden Schmerz sich schmerzen trekken zich de pijn van de vreemde aan,
und sind an Erbarmung reich.en zijn vol ontferming.
beluister: Koopman

In een kwartet met continuo en twee traverso's zingt de alt in aria (3) een innig loflied op de barmhartigheid. De twee traverso's introduceren de thema's die ook de alt overneemt voortdurend canonisch en volgen elkaar verder in vrije imitaties; het dominerende, sfeerbepalende muzikale element zijn de Seufzer (zuchten of snikjes), twee aan twee gebonden secundestappen (Vb.1), meestal dalend, soms stijgend en vaak in langere reeksen achter elkaar, tot een octaaf omspannend. De Seufzer vertolken hier erbarmen en liefde. De dalende secundes worden vergroot tot tertsen op het woord Samariter, de kampioen van de barmhartigheid. Dat woord wordt ook instrumentaal onderstreept door de beide traverso's, die hier hun veelal canonisch voorgedragen thematiek (Vb.2) even verlaten ten gunste van éénstemmige terts- en sextparallellen (muziekvoorbeeld rechts).

1 2 3

Zoals boven al aangegeven: als het tweede deel van de tekst (B, regel 3-5) geheel is doorgenomen verwacht je, vertrouwd met da-capoaria's, in maat 31 een terugkeer van het begin (A); er volgt echter een tweede doorloop van de B-tekst en de aria eindigt met een herhaling van de instrumentale inleiding.

4. Recitatief (T)

tenor, strijkers, continuo

Ach! schmelze doch durch deinen Liebesstrahl Ach, smelt toch met uw liefdesstraal
des kalten Herzens Stahl, het staal van het koude hart,
daß ich dir wahre Christenliebe, zodat ik, mijn Heiland,
mein Heiland, täglich übe, dagelijks de ware christelijke liefde beoefen,
daß meines Nächsten Wehe, zodat de pijn van mijn naaste,
er sei auch, wer er ist, wie het ook is,
Freund oder Feind, Heid oder Christ, vriend of vijand, heiden of christen,
mir als mein eignes Leid zu Herzen allzeit gehe! mij steeds ter harte gaat als mijn eigen leed!
Mein Herz sei liebreich, sanft und mild, Moge mijn hart liefdevol zijn, zacht en mild,
so wird in mir verklärt dein Ebenbild.dan wordt uw evenbeeld in mij verheerlijkt.
beluister: Koopman

Het tenorrecitatief (4) is weliswaar niet het middelpunt, maar wel de inhoudelijke spil van de cantate; het krijgt een passend gewicht door een strijkersaccompagnato, met kleurrijke harmoniën en verrassende wendingen. De tenor bidt dat zijn kille hart, van Stein in (1) en hier van Stahl, vriend en vijand als zijn naaste moge erkennen en verschuift, ter introductie van de volgende aria, de aandacht naar God. De strijkers onderstrepen dat laatste met een actievere begeleiding.

5. Aria / Duet (S, B)

sopraan, bas, viool 1, viool 2 + traverso 1/2 + hobo 1/2 colla parte viool, continuo

Händen, die sich nicht verschließen, Voor handen die niet gesloten blijven
wird der Himmel aufgetan. wordt de hemel geopend.
Augen, die mitleidend fließen, Naar ogen die medelijdend stromen
sieht der Heiland gnädig an. kijkt de Heiland vol genade.
Herzen, die nach Liebe streben, Aan harten die naar liefde streven
will Gott selbst sein Herze geben.wil God zelf zijn hart geven.
beluister: Koopman

De derde en laatste aria (5) is een duet voor sopraan en bas, begeleid door continuo en een unisono, één stem spelende groep van alle overige instrumentalisten: beide vioolgroepen, twee hobo's en twee traverso's; alleen de altviolen blijven buiten deze ‘vette' partij. Omdat de tekst een transcendente beloning in het vooruitzicht stelt aan wie de barmhartigheid beoefent, kiest Bach voor de ouderwetse polyfone kerkstijl en schrijft hij een kwartet van vier gelijkwaardige stemmen; ook de maatsoort, alla breve, herinnert aan die stile antico: een 4/4-maat met de halve noot als teleenheid en gestreepte C ( ) als symbool

Het Hände-thema, waartoe de instrumentalisten zich verder beperken, klinkt aan het begin éénmaal "in de omkering": een stap omlaag in de eerste stem (strijkers en blazers) wordt één maat later beantwoord met een stap omhoog in de tweede (continuo), en vice versa. Die ‘inversie' symboliseert, aldus Schweitzer, de wederkerigheid tussen Gods liefde en de menselijke barmhartigheid.

In canons beantwoordt de tweede stem de eerste altijd met een karakteristiek intervalverschil; hier achtereenvolgens een octaaf, een kwart, een kwint etc. Doordat het derde regelpaar (C) twee thema's en twee canoninzetten heeft en ten slotte canon A wordt herhaald, krijgt het stuk ondanks de variërende muziek toch een overkoepelende symmetrische structuur, die onderstaand schema in beeld poogt te brengen. Nadat tekst A is herhaald komen de volgende vier regels in vrije polyfonie terug boven een herhaling van het ritornelthema (maten 1-18, ‘vocaal-inbouw') waarna het instrumentale ritornel nog eens letterlijk wordt herhaald. Al deze architectonische en contrapuntische hoogstandjes blijken de aantrekkelijkheid van de muziek niet in de weg te staan. staan.

6. Koraal

tutti

Ertöt uns durch dein Güte, Doe ons afsterven door uw goedheid,
erweck uns durch dein Gnad! wek ons op door uw genade!
Den alten Menschen kränke, Verzwak de oude mens
daß der neu leben mag zodat de nieuwe kan leven
wohl hier auf dieser Erden, hier op deze aarde,
den Sinn und all Begehrden en al zijn voelen en verlangen
und Gdanken habn zu dir. en al zijn gedachten naar u uitgaan.
beluister: Koopman

De gang van de cantate, van (een gebrek aan) aardse barmhartigheid naar een hemels vooruitzicht, rechtvaardigt een slotkoraal (6) in majeur: het vijfde couplet van het lied Herr Christ, der einig Gotts Sohn van de hand van Elisabeth Kreuziger en in 1524 gepubliceerd in de eerste lutherse liederenbundel. Alle instrumentalisten verdubbelen de koorpartijen colla parte. De aanvankelijke strakke, verticale harmonisering wordt in het Abgesang wat vloeiender en beweeglijker.