Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Komm, du süße Todesstunde (BWV 161)

Geschreven voor 16e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 27 sep 1716

Libretto: Salomo Franck

Solisten AT koor SATB orkest str fl1,2 cont

Totaal 6 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Henk Pijlman

Deze cantate werd de afgelopen jaren heel vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Cantate 161 is een van Bachs vroege cantates, geschreven te Weimar voor de zestiende zondag na Trinitatis (27 september 1716), uit hoofde van Bachs verplichting, sinds zijn benoeming in maart 1714 tot concertmeester van de hofkapel, om maandelijks een cantate te componeren.

Het is één van de meest uitgevoerde cantates, dus misschien ook wel een van de mooiste, in elk geval een uiterst fijnzinnige.

Haar karakter van 'vroege Bachcantate' blijkt o.m. uit het ontbreken van een openingskoor en het gebruik van blokfluiten die Bach bij een heruitvoering in Leipzig verving door de modernere traverso's. Ook het libretto van de Weimarer hofdichter en -bibliothecaris Salomon Franck (1659-1725) heeft een kwaliteit die Bachs Leipziger tekstdichters zelden haalden.

De evangelietekst voor deze zondag is Lucas 7: 11-17, waarin Jezus de gestorven jongeling te Nain uit de doden opwekt. Het toenmalig lutheranisme las deze tekst niet als verslag van een tot vreugde en dankbaarheid stemmend, levensbevestigend wonder, maar als metafoor: ook wij zullen, eenmaal overleden, door Christus worden opgewekt, en dat dan maar liefst zo snel mogelijk. De tekst vormde de rechtvaardiging van het (ook in Bachs cantates) wijdverbreide doodsverlangen, Todessehnsucht: hoe korter hier, hoe eerder wij na een tijdelijke slaap in het graf, het eeuwige leven bij Christus bereiken. Voor dit verlangen naar de zoete dood lijken de blokfluiten, 'flauti dolce', het passende instrument.

Later, in Leipzig, heeft Bach deze cantate ook nog geschikt bevonden voor het feest van Mariä Reinigung (Maria Lichtmis) omdat op die dag het verhaal wordt gelezen van de ontmoeting van Maria en de pasgeboren Jezus in de tempel met de oude Simeon, die daarbij te kennen geeft wel snel te willen sterven nu hij Jezus eenmaal heeft aanschouwd.

1. Aria (A)

alt, blokfluit 1/2, continuo

Komm, du süße Todesstunde, Kom, o zoet uur van de dood,
da mein Geist Honig speist waarop mijn geest honig zal eten
aus des Löwens Munde; uit de mond van de leeuw.
Mache meinen Abschied süße, Maak mijn afscheid zoet,
säume nicht, letztes Licht, aarzel niet, laatste levenslicht,
daß ich meinen Heiland küsse. opdat ik mijn Heiland moge kussen.


[Herzlich tut mich verlangen [Innig verlang ik
nach einem sel’gen End, naar een zalig einde,
weil ich hie bin umfangen omdat ik hier omgeven ben
mit Trübsal und Elend. door droefheid en ellende.
Ich hab Lust, abzuscheiden Ik verlang ernaar
von dieser bösen Welt, deze boze wereld te verlaten,
sehn mich nach himml’schen Freuden. ik verlang vurig naar hemelse vreugden.
O Jesu, komm nur bald!] O Jezus, kom toch spoedig!]
beluister: Koopman

De cantate opent (1) niet met een koor op de bijbeltekst, maar direct met een aria voor de alt over de in Bachs tijd vertrouwde interpretatie daarvan: Komm, du süße Todesstunde. Door de aria heen speelt het orgel met een uitkomende stem, het sesquialterregister, een bekende koraalmelodie van Hans Leo Hassler (1601). Dit tekstloze citaat zullen Bachs toehoorders - daar kon hij op rekenen - direct hebben ´verstaan´, namelijk als melodie van het bekende stervenskoraal Herzlich thut mich verlangen nach einem sel'gen End (Christoph Knoll, 1611, hiernaast afgedrukt). De orgelpartij ondersteunt dus de subjectieve bede van de alt met de objectiviteit van het kerklied: zo zingen wij immers allen. Voor de hedendaagse toehoorder is deze associatie niet meer vanzelfsprekend: wij kennen de melodie immers vooral als die van het lijdenskoraal O Haupt voll Blut und Wunden dat in Bachs Matthäus-Passion wel vijf keer klinkt. Wij zouden dus meer geholpen zijn met Bachs praktijk bij een latere, Leipziger heruitvoering van BWV 161: sopranen zingen de melodie op de tekst. De koraalmelodie in altaria (1) heeft trouwens niet alleen een direct muzikale functie, maar ook een architectonische: omdat het vierde couplet van dit koraal aan het slot van de cantate wordt gezongen, legt de melodie een accolade over het geheel. Bovendien blijken de markante eerste zeven noten van de koraalmelodie (bovenste notenvoorbeeld 1, een stijgende kwartsprong en dalend tetrachord) eigenlijk ten grondslag te liggen aan diverse thema´s die in de cantate zullen klinken. Zie bijvoorbeeld hoe de (in notenvoorbeeld 2 gemarkeerde) hoofdnoten van het zuchtende, smachtende motief (seufzer) waarmee de blokfluiten en de alt de cantate openen deze melodie volgen.

In de tekst van de alt-aria (Honig aus des Löwens Munde) maakt librettist Franck een wel zeer geleerde toespeling op een vers uit het oudtestamentische bijbelboek Richteren (14: 8), waar wordt verhaald hoe Simson enkele dagen nadat hij met blote handen een jonge leeuw had gedood in de mond van het kadaver een bijennest en zelfs honing aantrof: zo zal ook mijn dood zoet en levenbrengend zijn.

2. Recitatief (T)

tenor, continuo

Welt! deine Lust ist Last, Wereld, uw lust is mij tot last!
Dein Zucker ist mir als ein Gift verhaßt, Uw zoetheid haat ik als een gif,
Dein Freudenlicht ist mein Komete, uw vreugdelicht is mijn komeet
und wo man deine Rosen bricht, en waar men uw rozen plukt,
sind Dornen ohne Zahl zu meiner Seele Qual! zijn talloze doornen een kwelling voor mijn ziel!
Der blasse Tod ist meine Morgenröte, De bleke dood is mijn morgenrood,
mit solcher geht mir auf die Sonne daarmee gaat voor mij de zon op
der Herrlichkeit und Himmelswonne. van de heerlijkheid en de hemelse gelukzaligheid.
Drum seufz ich recht von Herzensgrunde Daarom verlang ik uit de grond van mijn hart,
nur nach der letzten Todesstunde! alleen maar naar het laatste stervensuur!
Ich habe Lust, bei Christo bald zu weiden, Ik verlang ernaar weldra bij Christus te vertoeven,
ich habe Lust, von dieser Welt zu scheiden.ik verlang ernaar deze wereld te verlaten.
beluister: Koopman

In het seccorecitatief (2) verklaart de tenor zijn afkeer van de wereld in krasse tegenstellingen: Lust/Last, Dornen/Rosen, Gift/Zucker; en tegenover Freude staat Komete, een onheilsteken. Na allerlei tekstschilderende details eindigt het recitatief met een arioso voorgedragen Lust, von dieser Welt zu scheiden, dat de continuobas onderstreept met een wiegend figuurtje dat maar niet van zijn laagste toon (de laagste cellotoon, C), de wereld, kan loskomen.

3. Aria (T)

tenor, strijkers, continuo

Mein Verlangen ist, den Heiland zu umfangen Het is mijn verlangen, de Heiland te omarmen
und bei Christo bald zu sein. en weldra bij Christus te zijn.
Ob ich sterblich' Asch und Erde Ook al word ik door de dood
durch den Tod zermalmet werde, tot as en stof vermalen
wird der Seele reiner Schein het zuivere licht van mijn ziel
dennoch gleich den Engeln prangen.zal desondanks gelijk de engelen stralen.
beluister: Koopman

Het thema van de door strijkers begeleide tenoraria (3) vertoont opnieuw de eenheidsstichtende kwartsprong annex vier dalende noten. Nog voor de tenor zijn Verlangen heeft uitgesproken, is dit muzikaal al te horen in de lange voorhouding in de themakop:

De toon is minder klaaglijk dan in altaria (1), veeleer troostrijk en aanvaardend, van een ingetogen vergeestelijkte vreugde.

4. Recitatief (A)

alt, strijkers, blokfluit 1/2, continuo

Der Schluß ist schon gemacht:Het einde is nu gekomen,
Welt, gute Nacht!wereld, goede nacht!
Und kann ich nur den Trost erwerben,En ik kan eindelijk de troost ontvangen,
in Jesu Armen bald zu sterben;om in Jezus’ armen spoedig te sterven;
er ist mein sanfter Schlaf!Hij is mijn zachte slaap,
Das kühle Grab wird mich mit Rosen decken,het koude graf zal mij met rozen bedekken,
bis Jesus mich wird auferwecken,totdat Jezus mij zal opwekken,
bis er sein Schaftotdat Hij Zijn schaap
führt auf die süße Himmelsweide,zal leiden naar de zoete levensweide,
dass mich der Tod von ihm nicht scheide!zodat de dood mij niet van Hem zal scheiden.
So brich herein, du froher Todestag!Dus breek aan, o blijde stervensdag
so schlage doch, du letzter Stundenschlag!dus sla toch, o laatste uur!
beluister: Koopman

Het door alle instrumentalisten begeleide recitatief (4) van de alt herbergt in zijn slot een opmerkelijk hoogtepunt in deze cantate. Maar daaraan vooraf gaat o.m. een plastische uitbeelding van het in slaap vallen (de dood is een tijdelijke slaap) met dalende muzikale lijnen voor allen, en vervolgens van de opwekking met energiek omhoog lopende lijnen. En dan klepelen ten slotte de doodsklokjes van het stervensuur, met tinkelende blokfluiten en pizzicato strijkers.

5. Koor

SATB, strijkers, blokfluit 1/2, continuo

Wenn es meines Gottes Wille,Wanneer het de wil van mijn God is,
wünsch ich, daß des Leibes Lastdan wens ik, dat de last van mijn lichaam
heute noch die Erde fülleheden nog de aarde zal vullen.
und der Geist, des Leibes Gast,En dat de geest, de gast van het lichaam,
mit Unsterblichkeit sich kleidezich met onsterfelijkheid zal kleden
in der süßen Himmelsfreude.in de zoete hemelse vreugde.
Jesu, komm und nimm mich fort!Jezus, kom en neem mij weg!
Dieses sei mein letztes Wort.Dit zij mijn laatste woord.
beluister: Koopman

Nu pas, in de bevrijdende en optimistische slotfase van deze cantate, met het uitzicht op onsterfelijkheid en de hereniging met Christus, komt het koor (5) in actie, begeleid door twee vrolijke fluiters die aanvankelijk weliswaar nog even herinneren aan het smachtende motief waarmee ze de cantate openden, maar vervolgens het eenvoudige en pretentieloze vierstemmige lied van het koor versieren met dartele tweeëndertigsten als verbeeldden zij de ten hemel klapwiekende ziel.

6. Koraal

tutti + 2 blokfluiten

Der Leib zwar in der ErdenHet lichaam wordt weliswaar in de aarde
von Würmen wird verzehrt,door wormen verteerd,
doch auferweckt soll werden,maar het zal worden opgewekt,
durch Christum schön verklärt,en door Christus worden verheerlijkt,
wird leuchten als die Sonnehet zal stralen als de zon
und leben ohne Noten leven zonder nood
in himmlscher Freud und Wonne.in hemelse vreugde en gelukzaligheid.
Was schadt mir denn der Tod?Wat deert mij dan de dood?
beluister: Koopman

Met het slotkoraal (6) keert de toonaangevende Herzlich-melodie weer terug, thans boven het vierde couplet van Christoph Knolls lied. Maar de gebruikelijke vocaal-vierstemmige zetting met colla parte ondersteunende instrumenten wordt hier tot vijfstemmigheid uitgebreid door een snelle versierende melodie vol syncopes, met het doordringende timbre van de twee unisono (dus altijd een héél klein beetje vals) spelende blokfluiten. Behalve een melodische hebben de blokfluiten ook een opvallende harmonische functie. De koraalmelodie staat in een - ernstige, strenge - oude kerktoonsoort, het Frygisch: een melodie zonder kruizen of mollen, die echter niet (zoals tonale junks verwachten) op een A (in mineur) of een C (in majeur) begint en eindigt, maar op een E. De fluiten echter fietsen daardoorheen met een moderne, tonale melodie. Zij omhullen het donkere koraal als het ware met het lichte aureool van de opstanding.