Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Wachet auf, ruft uns die Stimme (BWV 140)

Geschreven voor 27e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 25 nov 1731

Solisten STB koor SATB orkest str vpicc ob1-3 cor cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 2 koralen

Vertaling: Alice bij de Vaate

Deze cantate werd de afgelopen jaren heel vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Bach componeerde zijn populairste en meestgespeelde cantate BWV 140 voor 25 november 1731, in de periode dat hij allang geen wekelijkse cantates meer placht te schrijven, maar omdat het kerkelijk jaar plotseling een 27e zondag na Trinitatis bleek te bevatten, wat slechts optreedt in die zeven procent van de jaren dat Pasen zeer vroeg, tussen 22 en 26 maart valt. Pas in 1742 kon Bach BWV 140 nog eens uitvoeren.

De kerk leest op deze zondag de verzen 1-13 uit het 25e hoofdstuk van het evangelie van Matteüs, de parabel van de wijze en de dwaze maagden: de laatsten missen het bruiloftsfeest omdat ze geen olie voor hun lampen gereed hadden toen de bruidegom arriveerde. Bach baseert zijn cantate op het koraal Wachet auf, ruft uns die Stimme (1599), waarvan de tekst en muziek (evenals van dat andere beroemde koraal Wie schön leuchtet der Morgenstern) werden geschreven door de predikant Philipp Nicolai toen hij dagelijks tientallen slachtoffers van de pestepidemie in zijn gemeente moest begraven. Hoewel Nicolai expliciet aan de kluge Jungfrauen (de wijze maagden) refereert, ontwijkt hij de vermanende strekking die de parabel primair heeft (en deelt met andere liederen, teksten en cantates voor deze laatste zondagen van het kerkelijk jaar), en schrijft hij een troostlied dat zich concentreert op het verwachtingsvol uitzien van de gelovige ziel, de anima, naar de vreugdevolle ontmoeting met de aan het einde der tijden wederkerende Heiland, een ontmoeting die conform de piëtistische bruidsmystiek wordt voorgesteld als de vereniging van een bruid, de kerk, met haar bruidegom, Christus.

Met BWV 140 voegt Bach een exemplaar toe aan zijn onvolledig gebleven jaargang koraalcantates die hij hoofdzakelijk in 1724/25 schreef, maar wel een a-typisch exemplaar. Omdat Nicolai's koraal slechts drie coupletten telt, komt Bach tekst tekort voor een zes- of zevendelige cantate; slechts één enkel 'binnencouplet' zou geparafraseerd moeten worden tot twee recitatief/aria-paren. Daarom besluit Bach enerzijds de letterlijke tekst van alle koraalcoupletten te gebruiken, zoals gebruikelijk in het ouderwetse per-omnes-versus type koraalcantates. Maar anderzijds voegt hij - van de hand van een onbekende maar onmiskenbaar piëtistische tekstdichter - vrije poëzie toe, die hier dus geen koraalverzen parafraseert maar de bruidsmystieke interpretatie accentueert met liefdeslyriek, voornamelijk ontleend aan het Hooglied. Deze teksten voor twee recitatief/duet-paren voegt Bach in tussen de koraalverzen; ze geven de cantate een symmetrische structuur:

                                         koraal - recitatief+aria (duet) - koraal - recitatief+aria (duet) - koraal

Terwijl de vocale bezetting van de cantate bescheidener is (er ontbreekt een altsolo) is de instrumentatie rijker dan gewoonlijk: naast continuo, strijkers en twee hobo's, spelen er een althobo ( taille ), een violino piccolo, dat is een kleine, een terts hoger gestemde viool ('tertsviool') en, ter versterking van de sopraan, een 'corno', waarmee Bach vermoedelijk een schuiftrompet bedoelde.

 

1. Koor

SATB, strijkers, violino piccolo, hobo 1–3, hoorn colla parte sopraan, continuo

Wachet auf, ruft uns die StimmeOntwaak, roept ons toe
der Wächter sehr hoch auf der Zinne,de stem van de wachters hoog op de trans,
wach auf, du Stadt Jerusalem!ontwaak, stad Jeruzalem!
Mitternacht heißt diese Stunde;Het is middernacht;
sie rufen uns mit hellem Munde:ze roepen ons toe met luide stem:
wo seid ihr klugen Jungfrauen?Waar zijn jullie, wijze maagden?
Wohl auf, der Bräutgam kömmt,Haast je, de bruidegom komt!
steht auf, die Lampen nehmt!Sta op, pak de lampen!
Alleluja!Halleluja!
Macht euch bereitMaak je gereed
zu der Hochzeit,voor de bruiloft,
ihr müsset ihm entgegengehn!ga hem tegemoet!
beluister: Koopman

De koraalfantasie (1) waarmee een koraalcantate vrijwel altijd begint, krijgt dankzij het twaalf regels lange koraalcouplet een enorme omvang, meer dan 200 maten.

De eerste akkoorden klinken op het plechtige gepuncteerde ritme waarop in Franse ouvertures de koning placht binnen te schrijden, en waarop hier de hemelse koning zijn theatrale entree maakt. Na het twaalfde akkoord (middernacht!) vult de stilte tussen de akkoorden zich allengs met steeds meer opgaande bewegingen door eerste viool (gesecondeerd door de violino piccolo) en eerste hobo, de één na de ander staat op, Jeruzalems straten vullen zich. (Deze dialoog tussen viool en hobo wijst tevens vooruit naar het dialoogkarakter dat de cantate ook verderop zal blijken te kenmerken.) Dan begint de sopraan op de tekst Wachet auf de koraalmelodie in lange noten (cantus firmus) met de karakteristieke gebroken drieklank (Es-G-Bes), een verwijzing naar de signalen die koperblazers vanaf de torentrans geven; ook de aanvankelijke motieven van violen, hobo en continuo blijken van deze gebroken drieklank afgeleid.

In de eerste drie regels van het koraal - waarvan de muziek wordt herhaald - is het de sopraan die, anders dan in de meeste koraalfantasieën, met haar cantus firmus als eerste inzet, nog vóór de begeleidende alt, tenor en bas: deze lijken door de sopraan tot activiteit te worden gemaand, maar zitten haar wel steeds dichter op de hielen, nemen zelfs een voorsprong (regel 7) tot ze de sopraan, voorafgaand aan haar kortste frase Alleluja, tracteren op een dubbel zo lange, opgewonden en verheugde fuga.

2. Recitatief (T)

tenor, continuo

Er kommt, er kommt,Hij komt, hij komt,
der Bräutgam kommt!de bruidegom komt!
Ihr Töchter Zions, kommt heraus,Dochters van Sion, kom naar buiten,
sein Ausgang eilet aus der HöheHij vertrekt vanuit de hoogte
in euer Mutter Haus.en haast zich naar het huis van jullie moeder.
Der Bräutgam kommt, der einem ReheDe bruidegom komt; als een ree,
und jungen Hirsche gleichals een jong hert,
auf denen Hügeln springtspringt hij over de heuvels
und euch das Mahl der Hochzeit bringt.en brengt jullie het bruiloftsmaal.
Wacht auf, ermuntert euch!Ontwaak, wees opgewekt
den Bräutgam zu empfangen;om de bruidegom te verwelkomen!
Dort, sehet, kommt er hergegangen!Kijk, daar komt hij aan!
beluister: Koopman

De nummers 2 - 6 van de cantate vormen een muziekdramatisch rollenspel, een dramma per musica, waarin de solisten (allegorische) personages voorstellen. In het secco-recitatief (2) treedt de tenor op als nachtwacht die hoog van de toren de komst van de bruidegom aankondigt, die hij met woorden uit het Hooglied bloemrijk beschrijft. Zijn tekst verbindt woorden uit het Matteüsevangelie (Bräutgam, Hochzeit) met die uit het Hooglied (Mutter Haus, Töchter Zion, Hirsche, Hügeln).

3. Aria / Duet (S(Seele), B(Jesus))

sopraan, bas, violino piccolo, continuo

(S): Wenn kömmst du, mein Heil? Wanneer kom je, mijn heil?
(B): Ich komme, dein Teil. Ik kom, je deel.
(S): Ich warte mit brennendem Öle. Ik wacht, mijn olie brandt.
(S, B): Eröffne / Ich öffne den Saal Open/Ik open de zaal
zum himmlischen Mahl! voor het hemelse maal.
(S): Komm, Jesu! Kom, Jezus!
(B): Ich komme; Ik kom;
komm, liebliche Seele!Kom, lieflijke ziel!
beluister: Koopman

Het duet (3) is - evenals (6) - een onversneden liefdesduet, tussen de gelovige ziel (anima, sopraan) en haar bruidegom, de Vox Christi (bas); de sfeer in dit mystieke liefdeslied is vooralsnog die van hunkerend verlangen en ongeduldig wachten (lange noten), waaraan een virtuoze solo van de violino piccolo een stralende glans geeft.

4. Aria (T)

tenor, viool 1, viool 2 + altviool colla parte viool, continuo

Zion hört die Wächter singen, Sion hoort de wachters zingen,
das Herz tut ihr vor Freuden springen, haar hart springt op van vreugde,
sie wachet und steht eilend auf. ze ontwaakt en staat haastig op.
Ihr Freund kommt vom Himmel prächtig, Haar vriend daalt stralend uit de hemel neer,
von Gnaden stark, von Wahrheit mächtig, sterk van genade, machtig van waarheid,
ihr Licht wird hell, ihr Stern geht auf. haar licht wordt helder, haar ster komt op.
Nun komm, du werte Kron, Kom, waardevolle kroon,
Herr Jesu, Gottes Sohn, heer Jezus, Gods zoon!
Hosianna! Hosanna!
Wir folgen all Wij volgen allen
zum Freudensaal naar de feestzaal
und halten mit das Abendmahl.en nemen deel aan het avondmaal.
beluister: Koopman

In het centrum van de cantate keren we met de tekst van vers 2 (4) terug naar het koraal. De nachtwacht / tenor zingt onverstoorbaar zijn wachterlied, lichtelijk versierd, terwijl langs hem heen de schare uitverkorenen haar eigen weg gaat, gesymboliseerd in de geheel zelfstandige, eindeloze melodie van de tot één nadrukkelijke unisonostem gebundelde (alt)violen. Zoals in het eerste couplet het Alleluja niet ongemerkt kon passeren, zo wordt hier het Hosianna, het welkomstlied bij Jezus' intocht in Jeruzalem op Palmpasen, speciaal belicht met een wending van de begeleidingsmelodie naar mineur-toonsoorten: een verwijzing naar Jezus' komende lijdensweg. Het stuk is op zichzelf minstens zo bekend als de gehele cantate dankzij Bachs orgelbewerking BWV 645, het eerste van de zes Schübler-koralen.

5. Recitatief (B)

bas, strijkers, violino piccolo, continuo

So geh herein zu mir, Kom dan binnen,
du mir erwählte Braut! mijn uitverkoren bruid!
Ich habe mich mit dir von Ewigkeit vertraut! Ik ben met jou sinds eeuwigheid verbonden.
Dich will ich auf mein Herz, Ik wil jou op mijn hart,
auf meinem Arm gleich wie ein Siegel setzen op mijn arm als een zegel dragen
und dein betrübtes Aug ergötzen. en je bedroefde ogen doen oplichten.
Vergiß, o Seele, nun die Angst, den Schmerz, Vergeet nu, o ziel, de angst, de pijn,
den du erdulden müssen; die je hebt moeten dulden.
auf meiner Linken sollst du ruhn, Op mijn linkerarm zul je rusten
und meine Rechte soll dich küssen.en mijn rechterhand zal je kussen.
beluister: Koopman

Anders dan de tenor in (2) krijgt de bas (Vox Christi) als protagonist in zijn recitatief (5) een strijkersaureool zoals in de Matthäus-Passion. De bruidegom nodigt zijn bruid, de gelovigen, tot zich en belooft hun geborgenheid. Betrübtes en  Angst worden met dissonante (verminderd-septiem-) akkoorden expressief ingekleurd.

6. Aria / Duet (S(Seele), B(Jesus))

sopraan, bas, hobo 1, continuo

(S): Mein Freund ist mein! Mijn vriend is de mijne,
(B): Und ich bin sein! en ik ben de zijne,
(S, B): Die Liebe soll nichts scheiden! Liefde zal niets scheiden.
Ich will / du sollst mit dir / mir Ik wil met jou / Je zult met mij
in Himmels Rosen weiden, temidden van de hemelse rozen vertoeven,
da Freude die Fülle, waar vreugde in overvloed,
da Wonne wird sein!waar gelukzaligheid zal zijn.
beluister: Koopman

Het tweede liefdesduet (6) tussen de anima en haar bruidegom is meer ontspannen, opgewekt en zorgelozer dan het eerste, maar zonder te ontaarden in de joligheid van een bruiloftscantate: de verwachting is vervuld, de geliefden zijn innig vereend, hun partijen lopen meer dan in (3) parallel. De sopraan voert de dans aan, de hobo betoont zich, buiten zijn instrumentale ritornel, een gelijkwaardige partner in een terzet. Muzikaal zijn aards liefdesgeluk en hemelse zaligheid hier geheel versmolten. Terzijde: omdat Bach de tekst uit het Hooglied (2:16) letterlijk citeert, maar verdeelt over twee rollen, wordt de tweede halfzin und ich bin sein semantisch identiek aan de eerste in plaats van zijn complement. Het dramaturgisch correcte und du bist mein zou evenwel niet bevredigend rijmen; de ‘verbetering' van de oude Bach Ausgabe (und ich bin dein) helpt al evenmin.

7. Koraal

tutti

Gloria sei dir gesungen Gloria worde u toegezongen
mit Menschen- und englischen Zungen, met mensen- en met engelentongen,
mit Harfen und mit Zimbeln schon. met harpen, met cimbalen.
Von zwölf Perlen sind die Pforten, Twaalf parels zijn de poorten,
an deiner Stadt sind wir Konsorten in uw stad zijn wij gezellen
der Engel hoch um deinen Thron. van de engelen hoog rondom uw troon.
Kein Aug hat je gespürt, Geen oog heeft ooit gezien,
kein Ohr hat je gehört geen oor heeft ooit gehoord
solche Freude. zulke vreugde.
Des sind wir froh, Daarom juichen wij
io io! io, io!,
ewig in dulci jubilo.eeuwig in dulci jubilo.
beluister: Koopman

Deze laatst mogelijke cantate van het kerkelijk jaar eindigt zoals gewoonlijk met een vierstemmig geharmoniseerd laatste couplet (7). Maar om het boventijdelijke karakter van dit Gloria te illustreren, noteert Bach het in antieke halve noten. De octaverende piccoloviool draagt bij aan de onaardse sfeer.

(Terwille van degenen die ervan overtuigd zijn dat Nicolaï zijn beide koralen (ook het Morgensternlied!) als een avondmaalskelk formeerde, druk ik de tekst hiernaast gecentreerd af.)