naar de bespreking van BWV 13

Meine Seufzer, meine Tränen (BWV 13)

Johann Sebastian Bach

1. Aria (T)

Meine Seufzer, meine TränenMijn zuchten, mijn tranen
können nicht zu zählen sein.zijn niet te tellen.
Wenn sich täglich Wehmut findet   Als er dagelijks droefenis is
und der Jammer nicht verschwindet,   en de ellende niet verdwijnt,
ach! so muß uns diese Pein   ach, dan moet die pijn wel
schon den Weg zum Tode bahnen.   de weg naar de dood voor ons banen.

2. Recitatief (A)

Mein liebster Gott läßt michMijn liefste God laat mij
annoch vergebens rufentot nu toe tevergeefs roepen
und mir in meinem Weinenen stuurt mij nog geen troost
noch keinen Trost erscheinen.in mijn geween.
Die Stunde lässet sichHet uur is weliswaar
zwar wohl von ferne sehen,in de verte te zien,
allein ich muß doch noch vergebens flehen.maar toch moet ik nog tevergeefs smeken.

3. Aria (A)

Der Gott, der mir hat versprochenDe God die mij altijd
seinen Beistand jederzeit,zijn bijstand heeft beloofd,
der läßt sich vergebens suchendie laat zich nu tevergeefs zoeken
itzt in meiner Traurigkeit.in mijn verdriet.
Ach! Will er denn für und fürAch, zal hij dan eeuwig
grausam zürnen über mir,wreed toornig op mij blijven,
kann und will er sich der Armenkan en wil hij zich nu niet zoals vroeger
itzt nicht wie vorhin erbarmen?over de stakkers ontfermen?

4. Recitatief (S)

Mein Kummer nimmet zuMijn verdriet neemt toe
und raubt mir alle Ruh.en berooft mij van alle rust.
Mein Jammerkrug ist ganzMijn smartenkruik is geheel
mit Tränen angefüllet,gevuld met tranen,
und diese Not wird nicht gestillet,en die nood, die mij volkomen gevoelloos maakt,
so mich ganz unempfindlich macht.wordt niet gestild.
Der Sorgen KummernachtDe kommernacht van de zorgen
drückt mein beklemmtes Herz darnieder,drukt mijn benauwde hart terneer,
drum sing ich lauter Jammerlieder.daarom zing ik alleen maar klaagliederen.
Doch, Seele, nein,Maar nee, ziel,
sei nur getrost in deiner Pein:wees getroost in je pijn:
Gott kann den WermutsaftGod kan de bittere drank
gar leicht in Freudenwein verkehrengemakkelijk in vreugdewijn veranderen
und dir alsdenn viel tausend Lust gewähren.en je dan ontelbaar veel genoegens schenken.

5. Aria (B)

Ächzen und erbärmlich WeinenKermen en erbarmelijk huilen
hilft der Sorgen Krankheit nicht.helpt niet bij de ziekte van de zorgen.
Aber wer gen Himmel siehet   Maar wie naar de hemel kijkt
und sich da um Trost bemühet,   en daar troost zoekt,
dem kann leicht ein Freudenlicht   die kan gemakkelijk een vreugdelicht
in der Trauerbrust erscheinen.   in zijn bedroefde hart zien opgaan.

6. Koraal

So sei nun, Seele, deineDus wees gerust, ziel,
und traue dem alleine,en vertrouw alleen op hem
der dich erschaffen hat.die je heeft geschapen.
Es gehe, wie es gehe,Het moge gaan zoals het gaan zal,
dein Vater in der Höhe,je vader daarboven
der weiß zu allen Sachen Rat.weet bij alles raad.
  
Libretto: Georg Christian Lehms Vertaling: Ria van Hengel

Kale tekst origineel

1. Aria (T)

Meine Seufzer, meine Tränen
können nicht zu zählen sein.
  Wenn sich täglich Wehmut findet
  und der Jammer nicht verschwindet,
  ach! so muß uns diese Pein
  schon den Weg zum Tode bahnen.

2. Recitatief (A)

Mein liebster Gott läßt mich
annoch vergebens rufen
und mir in meinem Weinen
noch keinen Trost erscheinen.
Die Stunde lässet sich
zwar wohl von ferne sehen,
allein ich muß doch noch vergebens flehen.

3. Aria (A)

Der Gott, der mir hat versprochen
seinen Beistand jederzeit,
der läßt sich vergebens suchen
itzt in meiner Traurigkeit.
Ach! Will er denn für und für
grausam zürnen über mir,
kann und will er sich der Armen
itzt nicht wie vorhin erbarmen?

4. Recitatief (S)

Mein Kummer nimmet zu
und raubt mir alle Ruh.
Mein Jammerkrug ist ganz
mit Tränen angefüllet,
und diese Not wird nicht gestillet,
so mich ganz unempfindlich macht.
Der Sorgen Kummernacht
drückt mein beklemmtes Herz darnieder,
drum sing ich lauter Jammerlieder.
Doch, Seele, nein,
sei nur getrost in deiner Pein:
Gott kann den Wermutsaft
gar leicht in Freudenwein verkehren
und dir alsdenn viel tausend Lust gewähren.

5. Aria (B)

Ächzen und erbärmlich Weinen
hilft der Sorgen Krankheit nicht.
  Aber wer gen Himmel siehet
  und sich da um Trost bemühet,
  dem kann leicht ein Freudenlicht
  in der Trauerbrust erscheinen.

6. Koraal

So sei nun, Seele, deine
und traue dem alleine,
der dich erschaffen hat.
Es gehe, wie es gehe,
dein Vater in der Höhe,
der weiß zu allen Sachen Rat.


Libretto: Georg Christian Lehms
	

Kale tekst Nederlandse vertaling

1. Aria (T)

Mijn zuchten, mijn tranen
zijn niet te tellen.
   Als er dagelijks droefenis is
   en de ellende niet verdwijnt,
   ach, dan moet die pijn wel
   de weg naar de dood voor ons banen.

2. Recitatief (A)

Mijn liefste God laat mij
tot nu toe tevergeefs roepen
en stuurt mij nog geen troost
in mijn geween.
Het uur is weliswaar
in de verte te zien,
maar toch moet ik nog tevergeefs smeken.

3. Aria (A)

De God die mij altijd
zijn bijstand heeft beloofd,
die laat zich nu tevergeefs zoeken
in mijn verdriet.
Ach, zal hij dan eeuwig
wreed toornig op mij blijven,
kan en wil hij zich nu niet zoals vroeger
over de stakkers ontfermen?

4. Recitatief (S)

Mijn verdriet neemt toe
en berooft mij van alle rust.
Mijn smartenkruik is geheel
gevuld met tranen,
en die nood, die mij volkomen gevoelloos maakt,
wordt niet gestild.
De kommernacht van de zorgen
drukt mijn benauwde hart terneer,
daarom zing ik alleen maar klaagliederen.
Maar nee, ziel,
wees getroost in je pijn:
God kan de bittere drank
gemakkelijk in vreugdewijn veranderen
en je dan ontelbaar veel genoegens schenken.

5. Aria (B)

Kermen en erbarmelijk huilen
helpt niet bij de ziekte van de zorgen.
   Maar wie naar de hemel kijkt
   en daar troost zoekt,
   die kan gemakkelijk een vreugdelicht
   in zijn bedroefde hart zien opgaan.

6. Koraal

Dus wees gerust, ziel,
en vertrouw alleen op hem
die je heeft geschapen.
Het moge gaan zoals het gaan zal,
je vader daarboven
weet bij alles raad.


		Vertaling: Ria van Hengel