Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 125)

Geschreven voor Maria Reiniging (Lichtmis 2/2)

Voor het eerst uitgevoerd: 2 feb 1725

Libretto: Andreas Stübel (?)

Solisten ATB koor SATB orkest str vsolo1,2 trav ob obd'am cor cont

Totaal 6 delen, 1 koorwerk, 2 koralen

Vertaling: Jaap van der Laan

Deze cantate werd de afgelopen jaren heel vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

BWV 125 is een zogeheten koraalcantate, in haar geheel gebouwd op de melodie en de vier coupletten van Luthers koraal Mit Fried und Freud ich fahr dahin (1524). Ze werd in 1725 geschreven voor vrijdag 2 februari, 40 dagen na Kerstmis, het feest van Maria Reiniging of Maria Lichtmis.

De katholieke Lichtmis (Candlemas), waarop kaarsen worden gezegend, verwijst naar de voorchristelijke lichtfeesten die de lange winternacht begrenzen en ten onzent op de Vrije Scholen nog wel gevierd worden: 40 dagen vóór midwinter, op Sint Maarten (11 november), gaan de kaarsen aan, tweemaal 40 dagen later, op 2 februari, is het weer zo licht dat ze uit kunnen.

Voor een begrip van de cantate moeten we echter te rade bij de joodse traditie die in de bijbel aan het woord komt. Die traditie, de wetten van Mozes, beschouwt de vrouw die een zoon gebaard heeft (i.c. Maria, de moeder van Jezus) als 40 dagen onrein, waarna ze zich in de tempel moet vervoegen om een rituele reiniging te ondergaan en bovendien een eerstgeboren zoon aan de priesters voor te stellen. Bij die gelegenheid, zo verhaalt het evangelie dat op deze dag wordt gelezen (Lucas 2:22-32) wordt de kleine Jezus door een aanwezige oude man, Simeon, herkend als de door God beloofde Heiland. Simeon - aan wie beloofd was dat hij pas zou sterven als hij de Heiland had gezien - uit zijn vreugde daarover in de zogenaamde ‘lofzang van Simeon' (Canticum Simeonis), één van de drie nieuwtestamentische lofzangen (naast die van Zacharias (Benedictus) en het Magnificat van Maria), die veelvuldig op muziek zijn gezet.

De tekst daarvan, die aan de cantate van vandaag ten grondslag ligt, beslaat in de bijbel de verzen 29-32 van Lucas 2, kort samengevat:

1. ik kan nu getroost sterven

2. want ik heb de verlosser gezien

3. die God voor alle volkeren heeft gezonden,

4. als een licht voor alle ongelovigen, en tot vreugde van het volk Israel,

woorden die naar allerlei oudtestamentische voorspellingen verwijzen.

In Luthers bijbelvertaling begint deze tekst met de woorden Herr, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren, woorden waarop o.m. Schütz, Mendelssohn en Brahms composities baseerden. In het Latijn luidt dit Nunc dimittis servum tuum, Domine, in pace (Nu laat u uw dienaar gaan, Heer, in vrede) dat in het Romeinse missaal opduikt aan het eind van de completen, en als zodanig ook vaak is getoonzet.

Luther bewerkte in 1524 de vier regels van Simeons lofzang  tot een lied van vier coupletten, beginnende met de woorden Mit Fried und Freud ich fahr dahin, in Bachs tijd een populair begrafenislied. Aan alle vijf cantates die Bach schreef voor Maria Reiniging (naast BWV 125 ook de BWV nrs 82, 83, 157 en 158) behandelen het Simeonthema; geen ervan schenkt aandacht aan het reinigingsritueel of de presentatie van het kind.

Zoals in zijn meeste koraalcantates volgt Bach ook in BWV 125 de koraaltekst op de voet: couplet 1 vormt de tekst van het openingskoor. De bas zingt in recitatief (3) de letterlijke tekst van couplet 2, en ook op de koraalmelodie, maar deze tekst is doorschoten met vrij gedichte, commentariërende zinsneden. De teksten van aria (4) en recitatief (5) zijn vrije bewerkingen van couplet 3.

1. Koor

SATB, strijkers, traverso, hobo, hoorn colla parte sopraan, continuo

Mit Fried und Freud ich fahr dahinIn vrede en met vreugde ga ik heen
in Gottes Willen;naar Gods wil,
getrost ist mir mein Herz und Sinn,mijn hart en zinnen zijn getroost,
sanft und stille;zacht en stil.
wie Gott mir verheißen hat,Zoals God mij heeft beloofd:
der Tod ist mein Schlaf worden.de dood is mij een slaap geworden.
beluister: Koopman

Het plechtige openingskoor is een grote koraalbewerking, voor vierstemmig koor en een kleurrijke instrumentale groep: continuo, strijkers, een traverso, een hobo (straks ook hobo d'amore) en een door Bach als 'corno' aangeduid instrument waarmee waarschijnlijk een  cornetto of zink of een schuiftrompet zal zijn bedoeld, want een natuurhoorn beschikt niet over de tonen van de koraalmelodie waarmee hij de sopraan moet steunen. Aan de sopraaninzet vooraf gaat een instrumentale inleiding.

De traverso introduceert een dansend triolenmotief dat naar de koraalmelodie verwijst omdat het precies de kwintsprong opvult waarmee die begint (beeld links); de eerste viool stapelt terstond twee van deze versierde kwintsprongen op elkaar: een fladderend dahinfahren (rechts).

Deze thematiek zal vervolgens permanent dienen als begeleidingsfiguur, ook van de drie vocale stemmen die de koraalmelodie in lange noten (cantus firmus) van de sopraan ondersteunen.

De wiegende 12/8-maat en de toonsoort, e-klein, herinneren aan het openingskoor van de Matthäus-Passion (die in 1725 nog niet bestond), helft mir klagen, maar hier is de sfeer wat strenger, 'grimmiger' ('t Hart) door een geringer aandeel parallelle stemmen in (kwart-)sextakkoorden (links)

en vooral in de vocale gedeelten strenge ouderwetse polyfonie (rechts).

In het bedachtzame ritme van de continuobas  hoort Schweitzer de 'müden, unsicheren Schritte des Himmelpilgers':

De doorgaande triolenbeweging stagneert trouwens in de vocale stemmen op twee veelzeggende momenten: bij de woorden sanft und stille (koraalregel 4) en bij der Tod ist mein Schlaf worden (r.6); ook de instrumentale begeleiding is daar uitgedund, verstild, terwijl het continuo de instructie tasto solo krijgt ('alleen de toets'), d.w.z. geen akkoorden in de rechterhand van de organist. De laatste woorden worden met ingewikkelde harmonische wendingen geïllustreerd.

2. Aria (A)

alt, traverso, hobo d'amore, continuo

Ich will auch mit gebrochnen AugenOok met gebroken ogen wil ik
nach dir, mein treuer Heiland, sehn.naar u, mijn trouwe Heiland, zien.
Wenngleich des Leibes Bau zerbricht/[fällt],Ook al breekt het bouwsel van mijn lichaam stuk,
doch fällt mein Herz und Hoffen nicht.toch storten mijn hart en mijn hoop niet ineen.
Mein Jesus sieht auf mich im SterbenMijn Jezus houdt mij in het oog wanneer ik sterf
und lässet mir kein Leid geschehn.en laat geen kwaad over mij komen.
beluister: Koopman

De tekst van altaria (2) entameert geen volgend koraalvers, maar beziet de inhoud van het leerstellige eerste couplet (1) vanuit het subjectieve perspectief van de individuele mens. Daarmee betreden we - theologisch en muzikaal - een andere wereld. Van de cerebrale dogmatiek van de vroege Reformatie (Luther) naar het in Bachs tijd veel populairdere piëtisme, dat ruimte vraagt voor de gevoelens van de onder epidemieën, oorlogsgeweld en aanvechtingen lijdende gelovige.

Muzikaal beantwoordt hieraan een wending van strenge ouderwetse polyfonie in (1) naar de opkomende galante, wat Frans aandoende, empfindsame Stil van Bachs kinderen, met als kenmerken het gepuncteerde ritme, de voortdurende tertsparallellen tussen de beide blazers, traverso en hobo d'amore, de talrijke voorslagen en voorhoudingen (appoggiatura's) en de pulserende bas: repeterende achtsten quasi tremolo, met als extra voorschrift ligato per tutto è senza accompgn, d.w.z. gebonden en - ook hier weer - géén akkoorden. Het verbaast dan niet dat in deze aria de alt als solist optreedt, veelal representant van de gelovige-van-vlees-en-bloed. H/zij maakt  zich de woorden van Simeon eigen, en illustreert het moment dat haar ogen zullen breken met een verbrokkelde vocale lijn.

De aria heeft een perfecte da-capostructuur (A-B-A): de eerste regels worden ongewijzigd herhaald, maar het middendeel contrasteert daarmee nauwelijks.

3. Recitatief (B)

bas, strijkers, continuo

O Wunder, daß ein Herz O wonder, dat een hart
vor der dem Fleisch verhaßten Gruft oog in oog met het door het vlees gehate graf
und gar des Todes Schmerz en al helemaal tegenover de smart van de dood,
sich nicht entsetzet! niet ontsteld raakt!
Das macht Christus, Dat is het werk van Christus,
wahr' Gottes Sohn, der treue Heiland, waarlijk Gods zoon, de trouwe Heiland,
der auf dem Sterbebette schon die op het sterfbed al
mit Himmelssüßigkeit den Geist ergötzet, de geest met hemelse heerlijkheid verrukt.
den du mich, Herr, hast sehen lan, Hem hebt u, Heer, mij laten zien,
da in erfüllter Zeit ein Glaubensarm toen in de volheid van de tijd het heil van de Heer
das Heil des Herrn umfinge; door een gelovige arm werd aanvaard
und machst bekannt en u hebt bekend gemaakt
von dem erhabnen Gott, – u de verheven God,
dem Schöpfer aller Dinge schepper van alle dingen –
daß er sei das Leben und Heil, dat hij het leven en het heil is,
der Menschen Trost und Teil, de troost van de mensen, één van hen,
ihr Retter vom Verderben hun redder van ’t verderf
im Tod und auch im Sterben. in de dood en ook in het sterven.
beluister: Koopman

In zijn recitatief (3) voorziet de bas de geruststellende tekst van het tweede koraalcouplet van dramatische toelichtingen. Hij versiert de koraalregels naar het eind toe enigszins en ook de basso continuo is in de koraalpassages levendiger dan in de recitativische delen. De twee tekst- en muzieksoorten worden bijeengehouden door een doorgaand strijkersmotief dat vreugde uitdrukt; dat is dan ook verdwenen bij het laatste woord, Sterben, dat met moeilijke melodische wendingen en wrange harmonieën wordt ingekleurd.

4. Aria (T, B)

tenor, bas, solo viool 1/2, continuo

Ein unbegreiflich Licht erfülltEen niet te vatten licht vervult
den ganzen Kreis der Erden.het hele wereldrond.
Es schallet kräftig fort und fortEn almaar voort weerklinkt met kracht
ein höchst erwünscht Verheißungswort:een beloftewoord, zo diep verlangd:
Wer glaubt, soll selig werden.alwie gelooft zal zalig worden.
beluister: Koopman

Na drie donkere, langzame en introverte delen breekt stralend licht door in de duisternis met het uitgelaten tenor/bas-duet (4). Dit enige stuk in een majeur toonsoort (G-groot) zou je een dubbelduet kunnen noemen, omdat het vocale duet wordt begeleid door een virtuoos violenpaar. Beide duo's bedienen zich van een zelfde zwierig thema (links), elkaar achterna jagend in imitatieve stijl en hun samenspel vervolgend in terts- en sextparallellen, resp. met briljante instrumentale figuraties. Omdat ook het continuo de thematiek nu en dan overneemt horen we eigenlijk een kwintet.

De librettist verwijst met het woord Licht naar het vierde vers van schrift- en liedtekst; maar het muzikale sleutelwoord is Kreis, dat in cirkelbewegingen (circulatio) wordt verbeeld (rechts).

De aria heeft een da-capostructuur. In het middendeel ontbreekt het hoofdthema, het Es schallet echoot van de een naar de ander en veel nadruk krijgen de laatste woorden Wer glaubt, soll selig werden, een samenvatting van Luthers centrale these 'sola fide', die overigens niet in de koraaltekst voorkomt.

5. Recitatief (A)

alt, continuo

O unerschöpfter Schatz der Güte,O onuitputtelijke schat van goedheid,
so sich uns Menschen aufgetan:die voor ons mensen is blootgelegd:
Es wird der Welt,voor de wereld,
so Zorn und Fluch auf sich geladen,die toorn en vloek op zich heeft geladen,
ein Stuhl der Gnadenwordt een troon van genade opgericht,
und Siegeszeichen aufgestellt,een overwinningsteken klaargelegd;
und jedes gläubige Gemüteen iedere gelovige ziel
wird in sein Gnadenreich geladen.wordt naar zijn genaderijk genodigd.
beluister: Koopman

Opnieuw is het de alt die zich in het secco-recitatief (5) namens uns Menschen rekenschap geeft van de implicaties van de koraaltekst voor ieders gläubige Gemüte. Zo verbindt ze (4) en (6).

6. Koraal

tutti

Er ist das Heil und selig LichtHij is het heil, een zalig licht
für die Heiden,voor de volken,
zu erleuchten, die dich kennen nicht,om te verlichten wie u niet kennen,
und zu weiden.en hen te weiden.
Er ist deins Volks IsraelVoor uw volk Israël is hij
der Preis, Ehr, Freud und Wonne.lof, roem, vreugde en verrukking.
beluister: Koopman

De cantate eindigt (6) met een eenvoudig vierstemmige harmonisering van het vierde en laatste vers van Luthers koraal. Alle instrumenten volgen colla parte de vocale stemmen. Bij Er ist das Heil loopt de lijn van bas en tenor verwachtingsvol een octaaf omhoog, Voor die Heiden (= volkeren) gaat het Licht op: van b-klein naar B-groot.

 

Spreektekst Utrecht 5/2/06