Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Mache dich, mein Geist, bereit (BWV 115)

Geschreven voor 22e zondag na Trinitatis

Voor het eerst uitgevoerd: 5 nov 1724

Libretto: Andreas Stübel (?)

Solisten SATB koor SATB orkest str vcpicc trav obd'am cor cont

Totaal 6 delen, 1 koorwerk, 2 koralen

Vertaling: Jaap van der Laan

Deze cantate werd de afgelopen jaren heel vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Cantate 115 behoort tot Bachs tweede Leipziger jaargang en is dus een koraalcantate. Ze werd geschreven voor 4 november 1724, de tweeëntwintigste zondag na Trinitatis; het kerkelijk jaar loopt ten einde, Allerzielen en Allerheiligen zijn voorbij, de kerk bereidt zich voor op de laatste dingen, wanneer, zoals de slotregels van het koraal grimmig aankondigen, Gott wird richten und die Welt vernichten.

De evangelielezing voor deze zondag is uit Matteüs 18, de verzen 23-35, de gelijkenis van de ondankbare knecht die, nadat hem zelf grote schulden zijn kwijt gescholden, op zijn beurt meedogenloos optreedt tegen een collega van wie hij nog iets te goed heeft, en daarvoor ter verantwoording wordt geroepen. Het betrekkelijk recente en daarom wellicht in Leipzig nog niet zo vertrouwde koraal van Johann Burchard Freystein uit 1697, dat de basis vormt voor Bachs cantate, houdt slechts zijdelings met de evangelietekst verband; de cantate die Bach het vorig jaar voor deze zondag schreef (BWV 89) was daarop sterker betrokken. Mache dich, mein Geist bereit concentreert zich op het moment dat onverwachts de afrekening kan plaatsvinden: zorg dat je morele huishouding op orde is, waakt (delen 2 en 3) en bidt (delen 4 en 5), thema's die ook in twee andere novembercantates terugkomen: Wachet auf (BWV 140) en Wachet, betet (BWV 70).

Zoals in de cantates van zijn tweede jaargang gebruikelijk handhaaft Bach de teksten van het eerste en laatste (tiende) koraalvers voor opening en slot van zijn cantate, de twee aria's (2 en 4) zijn parafrases van Freysteins verzen 2 resp. 7, de recitatieven van de resterende ‘binnencoupletten' (3-6, 8-9).

Freysteins koraal staat in een majeur toonsoort (G-groot) dus zijn ook Bachs hoekdelen (1) en (6) in majeur, maar gezien de ernst van de boodschap staan de binnendelen (2) tot (5) in mineur.

1. Koor

SATB, strijkers, traverso, hobo d'amore, hoorn colla parte sopraan, continuo

Mache dich, mein Geist, bereit,Maak je klaar, mijn ziel,
wache, fleh und bete,waak, smeek en bid,
daß dich nicht die böse Zeitdat de boze tijd niet
unverhofft betrete;onverwacht over je komt;
denn es istwant het is
Satans Listsatans list
über viele Frommenom vele vromen
zur Versuchung kommen.in verzoeking te brengen.
beluister: Koopman

In de koraalfantasie (1) wordt het koor begeleid door een kwartet bestaande uit continuo, traverso, hobo d´amore en de - tot één donker gekleurde stem verenigde - strijkers. Tegenover de twee komende aria's in hun trage adagio-tempo heerst hier een levendige en activistische sfeer: 'de schouders eronder, laat je niet door Satan verrassen`.

Zoals in alle openingsdelen van koraalcantates speelt de sopraan de hoofdrol; zij zingt als cantus firmus in lange noten de acht regels van de tekst op zijn melodie, die is ontleend aan het koraal Straf mich nicht in deinen Zorn. Deze acht passages worden verbonden en omlijst door instrumentale passages die hun motieven ontlenen aan het inleidende ritornel van elf maten. Dat wordt geopend door de verzamelde strijkers (en het continuo, dat geen thematische bijdragen zal leveren) met het volgende, zes maten lange thema.Pas na zes maten nemen ook hobo en traverso dit thema op, in canon, een halve maat na elkaar. Het thema - met de aantekening forte - bevat de gebiedende octaafsprong (Wache, Geeft acht!) waarvan ook de begeleidende stemmen alt, tenor en bas zich zullen bedienen.

De sopraan, gesteund door een 'corno' (schuiftrompet, cornetto?) trekt haar lange lijnen tijdloos, onaangedaan en verheven boven het gewoel van alle overige, vocale en instrumentale, stemmen; en - zoals gezegd - in een monter G-groot. De harmonische begeleiding werpt echter zo nu en dan wat schaduwen in duisterder toonaarden (c-klein, e-klein) om recht te doen aan de toch wat dreigende tekst (böse Zeit, unverhofft, Satans List etc.).

Na Satans verzoeking (regel 7) raakt de begeleiding even in het ongerede: de twee blazers trekken één lijn, gaan tijdelijk unisono verder en de strijkers spelen een tumultmotief in zogeheten bariolage-techniek, zie hieronder. Ook het afsluitend ritornel verandert daardoor: wanneer de zes inleidende maten van de strijkers lijken terug te keren begeleidt de traverso dat met het tumultmotief.

2. Aria (A)

alt, strijkers, hobo d'amore, continuo

Ach schläfrige Seele, wie? ruhest du noch?Ach slaperige ziel, wat nu? je rust nog steeds?
Ermuntre dich doch!Word toch wakker!
Es möchte die Strafe dich plötzlich erweckenAnders kan het oordeel je plotseling wekken
und, wo du nicht wachest,en, omdat je niet wakker bent,
im Schlafe des ewigen Todes bedecken.je met de slaap van de eeuwige dood bedekken
beluister: Koopman

Het vierstemmig strijkersensemble met een voornamelijk de 1e viool verdubbelende  hobo d'amore begeleidt in aria (2) de alt, die als zo vaak de rol van kwetsbare gelovige speelt. De donkere toonsoort e-klein, een traag tempo (adagio) en een pulserende bas werken samen in een schets van de schläfrige Seele; een  slaaplied dat door het gepuncteerde 3/8 ritme van de siciliano en het thema met zijn sextsprong en dubbele voorslag (Schleifer) herinneren aan het Erbarme dich uit de Matthäus-Passion. Zelfs een vijfmaal herhaalde octaafsprong van het continuo op Ermuntre dich doch! (die aan deel (1) herinnert) weet de alt niet wakker te krijgen.

Pas onder strafdreiging (es mochte die Strafe ...) schrikt zij op uit haar verleidelijke slaap voor een energiek (Allegro), opgewonden en waakzaam middendeel. Bach licht de hand met de da-capostructuur (A-B-A) want al in de B-tekst keert het woord Schlaf weer terug maar nu in zijn betekenis van eeuwige dood, en daarbij past muzikaal een terugkeer van de slaapmotieven, maar nu in nog niet eerder gehoorde gewrongen en duistere harmonieën. Pas daarna volgt de voorgeschreven en onverkorte herhaling van het A-deel en lijkt de alt dus weer in te dommelen.

3. Recitatief (B)

bas, continuo

Gott, so vor deine Seele wacht,God, die over je ziel waakt,
hat Abscheu an der Sünden Nacht;verafschuwt de nacht van de zonde;
Er sendet dir sein Gnadenlichthij zendt je het licht van zijn genade
und will vor diese Gaben,en verlangt dat je voor deze gaven,
die er so reichlich dir verspricht,die hij jou zo rijkelijk belooft,
nur offne Geistesaugen haben.enkel open geestelijke ogen hebt.
Des Satans List ist ohne Grund,De sluwheid van de satan is er ondoorgrondelijk
die Sünder zu bestricken;op gericht de zondaars te verblinden;
brichst du nun selbst den Gnadenbund,als jij nu zelf het genadeverbond breekt,
wirst du die Hilfe nie erblicken.zal er nooit hulp voor je zijn.
Die ganze Welt und ihre GliederDe hele wereld en alles wat daarin is,
sind nichts als falsche Brüder;zijn niets dan valse broeders;
doch macht dein Fleisch und Blut hiebeien toch laten jouw vlees en bloed
sich lauter Schmeichelei.zich er alleen maar door vleien..
beluister: Koopman

De als altijd gezaghebbende bas vertolkt in recitatief (3) de centrale boodschap met aan drie van Freysteins verzen ontleende argumenten. Dissonante verminderd-septiemakkoorden kleuren woorden als Abscheu, List en Schmeichelei en natuurlijk gaat Satans List met een diabolus in musica, een verminderde kwint.

4. Aria (S)

sopraan, violoncello-piccolo, traverso, continuo

Bete aber auch dabeiMaar bid toch ook
mitten in dem Wachen!midden in het waken!
Bitte bei der großen SchuldSmeek bij deze grote schuld
deinen Richter um Geduld,je Rechter om geduld,
soll er dich von Sünden freiopdat hij je vrij van zonden
und gereinigt machen!en rein zal maken!
beluister: Koopman

Ook de intieme tweede aria (4) heeft een langzaam tempo, molto adagio zelfs.Op het hier afgebeelde thema, met zijn deemoedig dalende lijn, ontwikkelt de sopraan een contrapuntisch vlechtwerk met de twee begeleidende melodiestemmen, de traverso en  de violoncello piccolo. Het continuo - waartoe de piccolo cello dus niet behoort maar waarschijnlijk wel een violone - doet niet meer dan de maat slaan.

Maar de belangrijkste bijdrage levert de sopraan wanneer ze het polyfone spel doorkruist met haar dwingende oproepen bete en bitte, op lange noten die niet tot het thema behoren.

De eerste twee tekstregels citeren letterlijk de oorspronkelijke koraaltekst; Bach verbindt daarmee echter geen melodische toespeling.

5. Recitatief (T)

tenor, continuo

Er sehnet sich nach unserm Schreien,Hij hunkert naar ons roepen,
er neigt sein gnädig Ohr hierauf;hij neigt zijn genadig oor daarnaar;
wenn Feinde sich auf unsern Schaden freuen,als vijanden zich over ons ongeluk verheugen,
so siegen wir in seiner Kraft:dan triomferen wij in zijn kracht:
indem sein Sohn, in dem wir beten,doordat zijn Zoon, in wie wij bidden,
uns Mut und Kräfte schafftons moed en krachten schenkt
und will als Helfer zu uns treten.en ons als helper bij wil staan.
beluister: Koopman

Met een eenvoudige seccorecitatief concludeert de tenor (5) dat wij op Gods hulp kunnen vertrouwen. Het vrije recitatief wordt nog wel afgesloten met een ritmisch arioso op de woorden und will als Helfer zu uns treten. Het woordje treten vormt aanleiding voor een in achtsten (en later in haastige zestienden) marcherend continuo.

Het recitatief voltrekt de wending van de mineur toonsoorten in de binnendelen naar het G-groot van (het openingskoor en) het slotkoraal.

6. Koraal

tutti

Drum so laßt uns immerdarLaten wij daarom voor altijd
wachen, flehen, beten,waken, smeken, bidden,
weil die Angst, Not und Gefahromdat angst, nood en gevaar
immer näher treten;steeds naderbij komen;
denn die Zeitwant de tijd
ist nicht weit,is niet ver,
da uns Gott wird richtendat God ons zal oordelen
und die Welt vernichten.en de wereld vernietigen.
beluister: Koopman

Met het laatste couplet van Freysteins koraal (6) neemt het koor namens de verzamelde gelovigen de aanbevelingen ter harte tot waakzaamheid, smeken en bidden. In Bachs vierstemmige harmonisering van Freysteins melodie houdt de permanent in achtsten doorlopende bas ons wakker en bij de les. Alle blazers verdubbelen de sopraanpartij, de strijkers gaan colla parte met alle stemmen.