Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Was mein Gott will, das g’scheh’ allzeit (BWV 111)

Geschreven voor 3e zondag na Driekoningen

Voor het eerst uitgevoerd: 21 jan 1725

Libretto: Andreas Stübel (?)

Solisten SATB koor SATB orkest str ob1,2 cont

Totaal 6 delen, 1 koorwerk, 2 koralen

Vertaling: Ria van Hengel

Deze cantate werd de afgelopen jaren vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Cantate 111 behoort tot de reeks zogeheten ‘koraalcantates' die Bach gedurende zijn tweede seizoen in Leipzig (1724/'25) componeerde. Ze werd geschreven voor de derde zondag na Epifanie, 21 januari 1725. In de evangelielezing voor deze dag (Matteüs 8: 1-13) vragen een leproze en een officier Jezus om genezing, daarbij blijk gevend van een diep vertrouwen dat Jezus hen kan helpen als God het wil. Daarbij past het koraal Was mein Gott will, das g'scheh allzeit, dat Bach verwerkte tot deze koraalcantate. Het koraal werd in 1547, na de dood van zijn vrouw, gepubliceerd door Hertog Albrecht van Pruissen (1490- 1568), de eerste Duitse prins die tot het protestantisme overging en zijn hertogdom tot een seculiere staat omvormde. Als melodie koos hij een Frans chanson (Claudin de Sermisy, 1528), een melodie die later ook voor andere koralen werd gebruikt, zodat het kon gebeuren dat Bach een week later, toen hij een cantate (BWV 92) componeerde over een koraal van Paul Gerhardt, dezelfde melodie moest verwerken. Van het achtregelige koraal wordt, als zo vaak, de melodie van de eerste twee regels (Stollen) herhaald, maar in dit geval hebben ook de laatste twee regels weer dezelfde melodie (A-A-B-A). Doordat Albrechts koraal, inclusief een later toegevoegd couplet, slechts vier verzen omvat, en het eerste en laatste couplet in koraalcantates ongewijzigd tot tekst dienen voor een openings- en een slotkoor, beschikt Bachs tekstdichter dus slechts over twee coupletten, zestien regels tekst, voor twee aria's en recitatieven; hij heeft er dus het één en ander bijbedacht.

1. Koor

SATB, strijkers, hobo 1/2, continuo

Was mein Gott will, das gscheh allzeit,Wat mijn God wil geschiede altijd,
sein Will, der ist der beste;zijn wil is de beste;
zu helfen den'n er ist bereit,hij is bereid hen te helpen
die an ihn glauben feste.die vast in hem geloven.
Er hilft aus Not, der fromme Gott,Hij helpt uit nood, de goede God
und züchtiget mit Maßen.en kastijdt met mate:
Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut,wie op God vertrouwt, vast op hem bouwt
den will er nicht verlassen.die zal hij niet verlaten.
beluister: Koopman

De genoemde AABA-structuur blijft gehandhaafd in de imposante koraalfantasie (1) waarmee ook deze koraalcantate begint. In het orkest horen we naast strijkers en continuo twee hobo's die, zonder aan de koraalmelodie te refereren, in hun energieke instrumentale inleiding een sfeer oproepen van onwrikbaar godsvertrouwen, voortdurend gelardeerd met het bekende pa-pa-pam, pa-pa-pam ritme (figura corta), dat altijd vreugde symboliseert. Gewoontegetrouw zingt de sopraan regel voor regel de koraalmelodie als cantus firmus in lange noten, de begeleidende stemmen ondersteunen dat op de wijze van een motet: elkaar imiterend met aan de koraalmelodie ontleende motieven. Opmerkelijk aan de koorpassages in deze koraalbewerking is dat regelmatig tijdens de lange slotnoot van de sopraan de begeleidende stemmen de bewuste regel nog eens kort herhalen, eenvoudig geharmoniseerd en met de melodie beurtelings in bas of alt. Meer dan in andere koraalfantasieën van dit type onderscheiden vocale en instrumentale passages zich van elkaar: de karakteristieke motieven van het instrumentale ritornel, die telkens tussen de regels weer terugkeren, ontbreken tijdens de koorzang; de hobo's zwijgen daarbij geheel en de strijkers spelen vluchtige op- en neergaande loopjes die elders niet voorkomen.

2.   Aria (B)

bas, continuo

Entsetze dich, mein Herze, nicht,Wees niet ontsteld, mijn hart,
Gott ist dein Trost und ZuversichtGod is je troost en je betrouwen
und deiner Seelen Leben.en het leven van je ziel.
Ja, was sein weiser Rat bedacht,Ja, zijn wijze raadsbesluiten
dem kann die Welt und Menschenmachtkunnen door de wereld en de macht van mensen
unmöglich widerstreben.onmogelijk worden tegengewerkt.
beluister: Koopman

Basaria (2) klinkt als een intieme, ernstige vermaning. Dat wordt onderstreept door de welhaast ascetische begeleiding die uitsluitend van het continuo komt, dat een quasi-ostinaat motief voortdurend herhaalt. Steeds na de schrikachtige sextsprong op Entsetze valt een frappante pauze, alsof de zanger zelf terugschrikt voor het vervolg. De tweede regel van de aria citeert ongewijzigd de eerste regel van koraalvers 2, Gott ist dein Trost und Zuversicht, en daarbij horen we ook in de noten van de bas, licht gevarieerd, de koraalmelodie terug. Na het middendeel worden de eerste regels enigszins gewijzigd herhaald (da capo).

3.   Recitatief (A)

alt, continuo

O Törichter! der sich von Gott entziehtO dwaas, die zich voor God verbergt
und wie ein Jonas dorten net zoals Jonas toen
vor Gottes Angesichte flieht;Gods aangezicht ontvlucht;
auch unser Denken ist ihm offenbar,ook ons denken kent hij,
und unsers Hauptes Haaren de haren van ons hoofd
hat er gezählet.heeft hij geteld.
Wohl dem, der diesen Schutz erwähletWelzalig hij die deze toevlucht kiest
im gläubigen Vertrauen,in gelovig vertrouwen,
auf dessen Schluß und Worten die hoopvol en geduldig het besluit
mit Hoffnung und Geduld zu schauen.en het woord van deze toevlucht in acht neemt.
beluister: Koopman

Terwijl de oorspronkelijke koraaltekst steeds het affirmatieve karakter van een positieve geloofsbelijdenis heeft, krijgt ook het altrecitatief (3) van Bachs librettist een vermanende strekking. Hij haalt er de oudtestamentische profeet Jona c.q. Jonas bij, die vergeefs voor God trachtte te vluchten (vijf dalende tertsen!) maar uiteindelijk door hem uit de buik van een walvis werd gered.

4.   Aria / Duet (A, T)

alt, tenor, strijkers, continuo

So geh ich mit beherzten Schritten,Dus wandel ik met moedige schreden,
auch wenn mich Gott zum Grabe führt.ook als God mij naar het graf leidt.
Gott hat die Tage aufgeschrieben,God heeft de dagen opgeschreven,
so wird, wenn seine Hand mich rührt,zo wordt, als zijn hand mij aanraakt,
des Todes Bitterkeit vertrieben.de bitterheid van de dood verdreven.
beluister: Koopman

Strijkers en continuo begeleiden alt en tenor in hun duet (4). Op het ritme van een gepuncteerde driekwartsmaat stappen zij waardig voort, met beherzte (kordate) schreden, de één de ander in canon voorgaand maar hand in hand (parallel zingend) wanneer God hen zum Grabe führt. Luchtige arpeggio's van de soloviool illustreren dat de laatste gang hun niet zwaar valt.

5. Recitatief (S)

sopraan, hobo 1/2, continuo

Drum wenn der Tod zuletzt den GeistDus als de dood aan het eind
noch mit Gewalt aus seinem Körper reißt,de geest met geweld uit zijn lichaam rukt,
so nimm ihn, Gott, in treue Vaterhände!neem die dan, God, in uw trouwe vaderhanden!
wenn Teufel, Tod und Sünde mich bekriegtAls duivel, dood en zonde oorlog tegen mij voeren,
und meine Sterbekissenen mijn sterfkussen
ein Kampfplatz werden müssen,een slagveld moet worden,
so hilf, damit in dir mein Glaube siegt!help dan dat in u mijn geloof overwint!
O seliges, gewünschtes Ende!O zalig, gewenst einde!
beluister: Koopman

Een vergelijkbaar berustend en aanvaardend affect beheerst het accompagnato recitatief (5) van de sopraan, die daarin wordt gesteund door lange noten van de twee hobo's; zij onderstrepen haar 'Adagio' conclusie met expressieve figuraties. Er zijn commentatoren die deze sfeer als somber en wanhopig beoordelen. Tja.

6. Koraal

tutti

Noch eins, Herr, will ich bitten dich,Nog één ding wilt ik u vragen, Heer,
du wirst mirs nicht versagen:u zult het mij niet weigeren:
Wenn mich der böse Geist anficht,als de Boze mij in verzoeking brengt,
laß mich doch nicht verzagen.laat mij dan niet bezwijken.
Hilf, steur und wehr, ach Gott, mein Herr,Help, bestuur en weer af, ach God, mijn Heer,
zu Ehren deinem Namen.tot eer van uw naam.
Wer das begehrt, dem wirds gewährt;Wie daarom vraagt, aan hem wordt het gegeven;
drauf sprech ich fröhlich: Amen.daarop zeg ik verheugd: Amen.
beluister: Koopman

Een levendige vierstemmige harmonisering van het laatste couplet (6) besluit de cantate. Bach verduidelijkt de bovengeschetste AABA-structuur door de laatste regels te harmoniseren zoals de eerste; het brede Amen werpt daarom zijn schaduw vooruit op de woorden versagen en verzagen.