Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

Johann Sebastian Bach

Unser Mund sei voll Lachens (BWV 110)

Geschreven voor Eerste Kerstdag

Voor het eerst uitgevoerd: 25 dec 1725

Libretto: Georg Christian Lehms

Solisten SATB koor SATB orkest str trav1,2 ob1-3 obd'am obcacc fgsolo trp1-3 timp cont

Totaal 7 delen, 1 koorwerk, 1 koraal

Vertaling: Leo de Leeuw

Deze cantate werd de afgelopen jaren vaak uitgevoerd

beluister

andere besprekingen

downloads uitleg

Bespreking

Bach componeerde zijn cantate 110 voor Eerste Kerstdag 1725, het begin van zijn derde kerstperiode in Leipzig. De cantate zal gewoontegetrouw ‘s morgens in de Nicolaïkerk zijn uitgevoerd en ‘s middags tijdens het vesper in de Thomaskirche. En de volgende dag zou het, maar nu met BWV 8, precies andersom gaan.

Voor een aantal cantates die Bach in deze periode schrijft ontleent hij de tekst aan de bundel Gottgefälliges Kirchen-Opffer van de Darmstadter hofpoëet Georg Christian Lehms (1684–1717), waarover Bach ook al in Weimar kon beschikken. Lehms was destijds nog niet aan de ‘moderne' cantate gewend. In zijn libretto voor BWV 110 gebruikt hij bijvoorbeeld al wel vrij gedichte poëzie aria's maar baseert zijn recitatieven nog uitsluitend op bijbelteksten. Opmerkelijk is dat de eerste twee bijbelcitaten uit het Oude Testament stammen, dus weliswaar tot vreugde en dankbaarheid oproepen, maar voor andere gebeurtenissen dan de geboorte van Christus die met Kerstmis wordt gevierd.

Zoals gebruikelijk op de grote feestdagen is de instrumentale bezetting Bachs maximale: naast strijkers en continuo twee traverso's, drie hobo's, drie trompetten en pauken, en een fagot. En bij een latere heruitvoering bleek Bach zelfs te kunnen beschikken over ripiënisten, steun- of tutti-zangers, die in enkele geselecteerde passages de concertisten versterken die normaliter alle vocale partijen voor hun rekening nemen, een onderscheiding die in moderne partituren met "solo/tutti" wordt aangeduid.

Uiteraard bestaat het grootste deel van de cantate uit jubelende dankzegging en lofprijzing in majeur toonsoorten. Alleen de centrale aria (4) schenkt in fis-klein aandacht aan ‘s mensen verdorvenheid, die de komst van Gods zoon noodzakelijk maakte.

1. Koor

SATB, strijkers, traverso 1/2, hobo 1–3, solo fagot, trompet 1–3, timpani, continuo

»Unser Mund sei voll LachensMoge onze mond vervuld zijn met lachen
und unsre Zunge voll Rühmens.en onze tong met gejuich.
Denn der Herr hat Großes an uns getan.«Want de Heer heeft grote dingen aan ons gedaan.
beluister: Koopman

De tekst van het openingskoor (1) is een bewerking van de verzen 2 en 3 van Psalm 126, een danklied voor de bevrijding van de joden uit de Babylonische ballingschap. Als muzikale vorm kiest Bach de door Lully ontworpen plechtige Franse ouverture, waarop de Zonnekoning Lodewijk XIV bij ceremoniële gelegenheden placht binnen te schrijden, en die Bach hier (evenals bijv. in BWV 61, Nun komm, der Heiden Heiland) gebruikt als symbool voor het koningschap van Christus. Een drie-delige vorm:

                                 langzaam (Grave) - snel fugatisch - herhaling van het Grave.

De muziek is een bewerking van het eerste deel van Bachs Vierde Orkestsuite BWV 1069, een louter instrumentaal stuk derhalve, dat Bach tot een koor bewerkt door vocale stemmen toe te voegen (‘koorinbouw') aan het fugatische middendeel. (Correcties in de trompetpartijen suggereren dat deze bewerking in feite is gebaseerd op een ouder, uit Köthen stammend stuk zonder trompetten, zodat de uiteindelijke BWV 1069/1 eigenlijk een ‘verarmde bewerking' van dit koor vormt!) Ook de twee traverso's, die hier colla parte spelen met de twee hobo's, ontbreken in de orkestsuite.

Het plechtige Grave, in langzame vierkwartsmaat, met zijn stralende trompetten en het bekende gepuncteerde ritme (pa-dam / pa-dam) gaat na 23 maten plotseling over in een snelle driekwartsmaat (Allegro), met in triolen verdeelde kwartnoten en daarop gebaseerde, veel minder scherp gepuncteerde achtsten. De alt entameert een koorfuga, gevolgd door de tenor, de sopraan en de bas; met dezelfde fuga van 22 maten zal het vocale middendeel straks ook weer eindigen (zie onderstaand schema). Wie uit de alt-inzet (zie hierboven) concludeert dat Bach zijn vocale partijen eenvoudig baseert op de bestaande instrumentale partijen, slechts wat variërend tussen punctering (alt, m. 26) en triolering (m. 25), heeft het mis: de vocale partijen gaan, hoewel niet altijd, geheel eigen wegen, die niet eenvoudig tot instrumentale partijen te herleiden zijn. Niet voor niets beslaat de partituur zestien balken. Het Lachen kan nauwelijks treffender geïmiteerd worden dan met de lange coloraturen op de klinker à, haha!

Na 22 maten wordt de instrumentatie uitgedund, slechts de houtblazers resteren en gedurende 21 maten (overeenkomend met de concertino-passage in de orkestsuite), zien de zangers zich geconfronteerd met de aanwijzing senza ripieni: tot dat moment, en in de verderop met tutti gemarkeerde gedeelten, zijn blijkbaar ook steun- of tuttizangers van de partij geweest, overwie Bach op gewone zondagen meestal niet kon beschikken. Gedurende deze 21 maten krijgen de hoogste drie stemmen in enkelvoudige bezetting gelegenheid de vrolijkheid te motiveren: denn der Herr hat Großes an uns getan; de fuga maakt tijdelijk plaats voor een homofone, akkoordische uiteenzetting, terwijl de triolen in de begeleiding doorrollen. Straks, vanaf maat 128, vinden we nog zo'n senza-ripienipassage, maar dan met de bas als resterende vocalist, begeleid door de strijkers. In het centrale tutti-gedeelte (m. 67-127) worden beide tekstgedeelten beurtelings behandeld; eerst krijgt het denn der Herr een meerkorige instrumentale begeleiding, waarin koper-, houtblazers en strijkers elkaar groepsgewijs afwisselen, en slechts éénmaal (m. 109-117) klinken beide teksten gelijktijdig, denn der Herr in de sopranen, Unser Mund in de lagere stemmen.

Ten slotte worden, zoals gezegd, de eerste vocale en instrumentale gedeelten herhaald, in omgekeerde volgorde. Zie het schema.

2. Aria (T)

tenor, traverso 1/2, solo fagot, continuo

Ihr Gedanken und ihr Sinnen,Gedachten en zinnen,
schwinget euch anitzt von hinnen,maakt nu een sprong
steiget schleunig himmelanen stijgt snel ten hemel
und bedenkt, was Gott getan!en bedenkt wat God gedaan heeft!
Er wird Mensch, und dies allein,Hij wordt mens en dat alleen
daß wir Himmels Kinder sein.opdat wij kinderen van de hemel kunnen zijn.
beluister: Koopman

Met zijn meditatieve aria (2) concretiseert de tenor het motief voor alle vrolijkheid: God is mens geworden opdat mensen Himmels Kinder kunnen zijn (De klavieruittreksels / koorpartijen melden ten onrechte Gottes Kinder). Hij wordt begeleid door twee traverso's, terwijl in het continuo de fagot is voorgeschreven maar wel piano sempre, zachtjes. Zoals de trompetten in (1) de goddelijkheid van Jezus symboliseren, geven de fluiten, de geringsten in de instrumentale hiërarchie, uitdrukking aan zijn menselijkheid en de armelijke omstandigheden van zijn geboorte; ook later in het Weihnachtsoratorium (nr.15) zal een traverso de eenvoudige herders begeleiden wanneer zij de stal bezichtigen om das holde Kind zu sehn.

De twee traverso's imiteren elkaar canonisch, met een beweeglijke figuur, die opwellende gedachten en overpeinzingen kan verbeelden en in vereenvoudigde vorm ook door de tenor wordt gezongen; we horen hem ook enkele malen (m. 9, 31, 48 en 58) in het continuo. De aria is tweedelig: geen da capo, slechts het instrumentale ritornel en niet de begintekst wordt herhaald.

3. Recitatief (B)

bas, strijkers, continuo

»Dir, Herr, ist niemand gleich. Aan u, Heer, is niemand gelijk.
Du bist groß und dein Name ist groß Gij zijt groot en uw naam is groot,
und kannsts mit der Tat beweisen.«Gij kunt dat met uw daden bewijzen.
beluister: Koopman

Het tweede oudtestamentisch citaat (Jeremia 10: 6) behandelt Bach in het korte maar rijke basrecitatief (3). Het bepaalt de gedachten opnieuw bij Gods grootheid. De bas wordt begeleid door ritmische, naar boven, naar de hemel wijzende reeksen strijkersakkoorden.

4. Aria (A)

alt, hobo d'amore, continuo

Ach Herr, was ist ein Menschenkind,Ach Heer, wat is een mensenkind
daß du sein Heil so schmerzlich suchest?dat gij zijn heil zo smartelijk zoekt?
Ein Wurm, den du verfluchest,Een worm die gij vervloekt
wenn Höll und Satan um ihn sind;als hel en satan om hem heen zijn:
doch auch dein Sohn, den Seel und Geistmaar ook uw Zoon, die ziel en geest
aus Liebe seinen Erben heißt.uit liefde zijn erfgenaam noemt.
beluister: Koopman

Altaria (4) vormt het centrum van de cantate; hier zijn we het verst verwijderd van de feestelijkheid van de hoekdelen: een klaaglijke beschouwing in fis-klein, over de ambivalente aard van de mens: enerzijds een vervloekte, zondige worm, maar anderzijds bevrijd door Jezus' tussenkomst. Dienovereenkomstig is ook de tekst tweeledig en evenals in (2) is er geen da capo, de begintekst wordt niet herhaald. Ook de melodie van de hobo d'amore, met zijn kleurrijke coloriet, getuigt van ambivalentie: heen en weer tussen een 3/4- en een 9/8-maat. Zijn thema, waarvan alleen de kop, in 3/4-maat, bij de alt terugkomt, heeft een twijfelend en zoekend karakter, over chromatische intervallen, met veel extra kruizen en zelfs dubbelkruizen.

5. Aria / Duet (S, T)

sopraan, tenor, continuo

»Ehre sei Gott in der HöheEre zij God in de hoge
und Friede auf Erdenen vrede op aarde
und den Menschen ein Wohlgefallen! «en in de mensen een welbehagen!
beluister: Koopman

Met het duet (5) voor sopraan en tenor begint de terugkeer naar de extraverte kerstsfeer. Bachs toehoorders zouden zich de muziek hiervan kunnen herinneren als die van het Virga Jesse floruit, de vierde van de ‘volkse' inlassen in de kerstversie van het Magnificat (BWV 243a, Es-groot) dat in elk geval twee jaar eerder nog geklonken moet hebben, maar die Bach later uit zijn Magnificat verwijderde toen hij dat, getransponeerd naar D-groot, voor meer algemeen gebruik reviseerde. Hier staat deze kerstmuziek ten dienste van de derde bijbeltekst, ontleend aan de voor Eerste Kerstdag voorgeschreven evangelielezing (Lucas 2: 1-14), de engelenzang 'Ere zij God in den hoge', die zijn grootste bekendheid zou krijgen als het Gloria van de mis.

Door zijn 12/8-maat ademt het stuk een pastorale sfeer. De drie tekstregels leiden tot drie vocale passages waarin de twee zangers zich telkens iets anders ten opzichte van elkaar verhouden: elkaar op korte afstand canonisch imiterend in Ehre sei Gott in der Höhe, in volstrekt eensgezinde homofonie, in deciemparallellen bij und Friede auf Erden, en weer wat onafhankelijker bij und den Menschen ein Wohlgefallen. Mede door de bescheiden begeleiding, waarvoor slechts een continuogroep nodig is, blijft het karakter van deze lofprijzing nog intiem en persoonlijk.

6. Aria (B)

bas, strijkers, hobo 1/2, hobo da caccia, trompet 1, continuo

Wacht auf, ihr Adern und ihr Glieder,Ontwaakt, aderen en ledematen
und singt dergleichen Freudenlieder,en zingt die vreugdeliederen
die unserm Gott gefällig sein.die onze God welgevallig zijn.
Und ihr, ihr andachtsvollen Saiten,En jullie, eerbiedige snaren,
sollt ihm ein solches Lob bereiten,moeten Hem die lof bereiden
dabei sich Herz und Geist erfreun.die hart en geest blij maken.
beluister: Koopman

Dat verandert met de vierde en laatste aria (6) waarin de bas, bijgestaan door de koninklijke trompet stemmen en snaren vraagt met zijn lofzang in te stemmen. We krijgen wat we van de combinatie bas + trompet kunnen verwachten: een heroïsche bravura aria, die ons bijv. herinnert aan het Großer Herr und starker König in het eerste deel van het latere (1734) Weihnachtsoratorium, voor dezelfde combinatie. De toonsoort (D-groot) en thematiek worden bepaald door de fanfares en drieklankbrekingen die kenmerkend zijn voor de beperkte notenvoorraad van de natuurtrompet, zelfs indien bespeeld door de fabuleuze senior-Stadtpfeifer Gotfried Reiche. De strijkers, gesecondeerd door de drie hobo's (waarvan één da caccia, een althobo) begeleiden het gewenste Freudenlied, in snelle zestienden. Het inleidende instrumentale ritornel van twaalf maten wordt direct ongewijzigd herhaald met de partij van de baszanger daarin ingebouwd, en ook aan het slot van deze da-capoaria zullen we deze twee passages, in omgekeerde volgorde, weer terughoren. Omlijst door korte citaten uit het ritornel vraagt het middendeel expliciet aandacht voor de rol van Saiten (snaren), en derhalve zwijgen hier de hobo's.

7. Koraal

tutti

Alleluja! Gelobt sei Gott,Halleluja! Geloofd zij God,
singen wir all aus unsers Herzens Grunde.zingen wij allen uit de grond van ons hart.
Denn Gott hat heut gemacht solch Freud,Want God heeft ons heden een vreugde bereid
die wir vergessen solln zu keiner Stunde.die wij geen moment mogen vergeten.
beluister: Koopman

Ten slotte (7) klinkt, uit naam van de aanwezige kerkelijke gemeente, het vijfde en laatste couplet van Kaspar Fügers Wir Christenleut habn jetzund Freud, een lied uit 1592, dat Bach ook gebruikt in het Weihnachtsoratorium (BWV 248III, nr. 35) Seid froh dieweil. Zoals gebruikelijk versterken de instrumenten de koorstemmen, maar de natuurtrompetten kunnen daarbij, wegens hun beperkte notenvoorraad, geen rol spelen.