Eduard van Hengel

Johann Sebastian Bach vocale werken

                                               [verbreed uw scherm tot de plaatjes in de rechter kolom staan]


Eduard van Hengel                            
Luybenstraat 9 
5211 BR 's-Hertogenbosch
073-6134634
https://www.eduardvanhengel.nl/


Aan geïnteresseerden in de nalatenschap van Hans Brandts Buys


Verslag van een reddingsoperatie

 

Zoals de meesten van jullie zullen weten werd de muzikale nalatenschap van Hans  Brandts Buys na zijn dood in 1959 verdeeld over het Ned. Muziek Instituut (Den Haag, manuscripten), de musicologiebibliotheek in Utrecht (boeken, partituren) en de toen net opgerichte Utrechtse Muziekbibliotheek (bericht van acquisitie); deze laatste belastte zich met het beheren en uitlenen van het uitvoeringsmateriaal (vocale en instrumentale partijen) van de 200 Bachcantates, passionen etc, naar schatting een 15.000 pagina’s die Hans tussen 1938 en 1959 eigenhandig, deels op lichtdruk-transparanten had uitgeschreven. De collectie (afb. 0) werd de afgelopen halve eeuw gehuisvest in een apart zolderkamertje op het dak van de vestiging Stadhuisbrug (afb. 1), tegenover “De winkel van Sinkel” (voor de ouderen onder ons resp de oude V&D en Bank Vlaer & Kol). Nadat er de eerste decennia druk van gebruik is gemaakt door allerlei ensembles in Nederland, tot en met de heren Leonhardt en Harnoncourt toen zij in 1970 aan de eerste integrale opname van de Bachcantates begonnen, is de gebruikswaarde van de collectie allengs tot nul gedaald omdat gedrukt materiaal, gaandeweg ook op basis van de nieuwe Bachausgabe, eenvoudig te koop of te leen kwam; de laatste uitleningen dateren van de jaren ‘90. Daarom besloot de Muziekbibliotheek deze collectie niet meer mee te nemen in haar verhuizing van de Stadhuisbrug naar de Neude. Een reddingsplan diende voor 17 februari te zijn uitgevoerd.
Hieronder doe ik bij wijze van verantwoording verslag van wat ik, in overleg met de Utrechtse Bachcantates, het USKO, het RUSKO en diverse anderen die begaan bleken met het lot van deze imponerende verzameling manuscripten, de afgelopen weken heb besloten en gedaan (afb. 2).

 

De collectie bleek ook nog boeken te omvatten (afb. 3) waarin de musicologiebibliotheek destijds blijkbaar niet was geïnteresseerd. Enkele betrokkenen bij mijn operatie hebben daaruit het één en ander meegenomen; de rest gaat naar een opkoper. Veilig gesteld zijn in elk geval Hans’ drie boeken, naar mijn indruk zijn eigen exemplaren. 


Ook trof ik aan de kopieën die Hans in diverse Europese bibliotheken maakte van destijds ongepubliceerde manuscripten van veelal instrumentale werken uit barok en vroeg-klassiek, in het bijzonder clavecimbelwerk (op enkele ervan zijn gedrukte uitgaven gebaseerd die door HBB werden bezorgd). Bij elkaar zo’n 5.000 pagina’s schrijfwerk, 50 cm kastplank nu ik ze heb ontdaan van hun banden. Ik weet nog niet goed wat ik hiermee aan moet; de meeste stukken zullen, dankzij de oude-muziekrenaissance die Hans zelf initieerde, inmiddels in druk zijn verschenen. Voor suggesties houd ik mij aanbevolen. Ik bewaar ze voorlopig. Ziehier een inhoudsopgave.
    
Dan is er de ladenkast (afb. 4) met daarin de bekende transparanten die als origineel dienden voor het uitvoeringsmateriaal, met de bruine inkt op het gelige papier. De kast zal de afgelopen halve eeuw nauwelijks zijn geopend. Het materiaal (afb. 5) ervan is slecht toonbaar, moeilijk hanteerbaar, glibberig en glanzend, donker maar doorzichtig zodat door elke pagina de volgende schemert en, ten behoeve van de gebruikte reproductietechniek, van een uitzonderlijk groot formaat (34 x 48cm), waarbij de pagina’s beurtelings op hun kop staan. Weggooien? Het is wel het materiaal waarover de facto zijn handen zich bewogen, al heeft zijn handschrift door het gebruik van de Rotring-pennen weinig persoonlijk karakter. Voorlopig neemt het (R)USKO de kast met zijn inhoud mee.

        

Pièce de résistance vormde het uitleenbare uitvoeringsmateriaal, vocale en instrumentale partijen, zes kasten (2x3, zie afb. 0) vol, van Bachs BWV 1 linksboven via zijn orkestsuites, Brandenburgse Concerten en Concerti Grossi van Handel tot Mozarts Symphonie Concertante rechtsonder. Ik heb huisgehouden volgens het principe “van elke door Hans uitgeschreven pagina wordt één exemplaar, liefst de meest originele, bewaard”; deze gaan, ontdaan van voor de uitleningspraktijk noodzakelijke kaften en omslagen, verpakt in archiefdozen naar het USKO-archief, waarmee ze in de toekomst wellicht kunnen worden overgedragen aan het Utrechts Archief. Dus gooide ik 19 van de 20 sopraanpartijen weg en 6 van de 7 eerste-vioolpartijen, enzovoorts.

 

Een aparte waarde in dit geheel vormden Hans’ uitwerkingen van de becijferde bassen tot speelbare orgel- en (ritmisch wat meer geprofileerde) clavecimbelpartijen. Deze gelden als auteursrechtelijk beschermd creatief werk en derhalve vond ik het Nederlands Muziek Instituut (Frits Zwart, Den Haag) bereid om deze verzameling onderdak te verschaffen. Het NMI beheert al sinds 1960 een archief van Hans’ originele composities. De verzameling continuopartijen bleek drie archiefdozen of 3.000 pagina’s schrijfwerk te omvatten.

 

De resterende vocale en instrumentale partijen vulden 15 archiefdozen, d.w.z. waarschijnlijk ongeveer 12.000 pagina’s, grotendeels dus van transparanten afgedrukt. De kasten en archiefdozen zijn inmiddels door Michiel Jonkers en enkele USKO-studenten (afb. 13) verhuisd naar het USKO-archief, dat sinds twee jaar is ondergebracht in het voormalig Fysisch Laboratorium aan de Bijlhouwerstraat, om precies te zijn: in de kelder die daar ooit werd uitgegraven voor de deeltjesversneller (“van-de-Graaffgenerator”) waaraan ik mijn afstudeeronderzoek verrichtte (!).

 

Terwijl de duizenden pagina’s rap door mijn handen gingen waren er toch wel enkele dingen die mij opvielen en interessant genoeg leken om hier te noteren.

 

Het eerste dat opvalt is dat het materiaal van HBB in principe alle BWV-nummers omvat, dat wil zeggen inclusief een twintigtal cantates waarvan de Bach-research intussen heeft vastgesteld dat ze niet van Bach zijn, zoals de BWV-nrs 15, 53, 141, 160 tot aan 222? (afb. 6) die tegenwoordig wordt toegeschreven aan Sebastians achterneef Johann Ernst. Curieus gevolg is wel dat de HBB-collectie dus uitvoeringsmateriaal bevat dat in hedendaagse catalogi van bibliotheken en fondsen van moderne uitgevers ontbreekt en dus interessant zou zijn voor wie een programma “bijna-Bach” wil uitvoeren. Toch maar weggegooid.

 

Hans beschikte niet van den beginne over de transparantentechniek waarmee meerdere afdrukken van een partij gemaakt konden worden. Bij zijn aanvankelijke cantateuitvoeringen, vanaf 1938 in Leiden en in de oorlog en enige tijd daarna in Utrecht, Hilversum en met het Radio Kamerorkest kon hij slechts over handgeschreven partijen beschikken. Met als gevolg dat hij een eerste vioolpartij wel driemaal of meer moest uitschrijven; waar ik dat constateerde heb ik alles wat zijn hand verried bewaard. Maar waarom (afb. 7) een expliciete solopartij zeven (7!) maal uitschrijven?
Uiteraard zag ik ook vreemde handen aan het werk, waarschijnlijk studenten; ik moest hun werk helaas aan de shredder toevertrouwen.
Toen de transparantentechniek beschikbaar kwam heeft HBB m.i. als regel eerder uitgevoerde cantates waarvan het materiaal dus al in manuscript beschikbaar was in het nieuwe medium nog eens uitgeschreven.
Waarom was dit handwerk eigenlijk allemaal nodig? Het eenvoudige antwoord is: omdat van Bachs cantates weliswaar in de tweede helft van de 19e eeuw alle partituren waren verschenen maar nog geen commerciële uitgever brood had gezien in het aanbieden van daarop gebaseerd uitvoeringsmateriaal. Ook Thomaskantor Karl Straube en Gillies Whittaker (Newcastle), die al vóór HBB alle cantates uitvoerden, moeten hun eigen partijen hebben laten schrijven maar beschikten waarschijnlijk over een meer professionele omgeving die dat werk kon verlichten.
Maar dit is niet het volledige antwoord. Er waren immers destijds tenslotte ook al gedrukte koorpartijen van Breitkopf verkrijgbaar (afb. 9) en de klavieruittreksels (afb. 8) waaruit hedendaagse zangers en solisten plegen te zingen. Die kostten (zie ik op een exemplaar uit die tijd) f 2,65. Maar je kon je zangers (of je koorkas) toen blijkbaar niet met dergelijke uitgaven belasten; voor de leden van de Hilversumse Cantate Vereniging die jaarlijks zo’n 15 nieuwe cantates uitvoerden is dat wel begrijpelijk. En ook waren er destijds al geheide repertoirestukken als Jauchzet Gott in allen Landen (BWV 51), de orkestsuites en Brandenburgse Concerten, waarvan ongetwijfeld partijen te koop waren maar die HBB niettemin zelf nog eens heeft uitgeschreven; alleen van de motetten trof ik slechts gedrukte exemplaren aan. Ook na-oorlogse zuinigheid moet hem dus hebben geleid. Dat blijkt ook wel uit een karakteristiek kenmerk van zijn manuscripten: op het voorgedrukte muziekpapier noteerde hij (zie afb. 10) sleutels en voortekens waarvan betekenis niet afhangt van hun positie op de notenbalk, steeds vóór het begin daarvan.


Behalve de gewone partijen voor instrumentalisten en koorzangers blijkt Hans in veel cantates ook nog recitatieven en/of aria’s ten dienste van solisten te hebben uitgeschreven boven een begeleiding die hij m.i. gewoon aan een klavieruittreksel ontleende (zie afb. 6). En wat je ook regelmatig tegenkomt: een partij voor de organist waarin alle (2, 3 of 4) trompetpartijen voor de rechterhand van het orgel zijn genoteerd, voor wanneer het inhuren van deze professionals te kostbaar zou zijn. Of trompetpartijen herschreven voor klarinetten.


Interessant waren natuurlijk ook de gebruikssporen die ik op de partijen aantrof, ondanks het verbod op aantekeningen in leenmateriaal. Niet alleen muzikaal-technische aanwijzingen met betrekking tot frasering, dynamiek en stokvoering, maar ook notities over tijd en plaats van komende repetities en uitvoeringen, en zelfs namen van de beoogde spelers, waaronder herkenbare als Alice (Harnoncourt), Affourtit (Bachvereniging), Frankenberg en Els (op een altvioolopartij dus: Hondius). Zo nu en dan koos ik het te bewaren exemplaar op grond van dergelijke toevoegingen; het merendeel ging helaas in de container.


Onder de ‘vreemde handen’ in het schrijfwerk was er één die regelmatig terugkeerde, met een handschrift dat wel heel erg op dat van HBB leek (en dat ik ongetwijfeld zo nu en dan daarmee heb verwisseld); het meest opvallend aan deze ‘hand’ was dat hij - anders dan HBB -  ‘Kantate’ met een K spelde, en zelfs zo nu en dan een becijferde bas kon uitwerken, wat destijds geen wijdverbreide competentie meer was. Door een toevallige ontmoeting met zijn dochter realiseerde ik mij dat dit Gerrit de Marez Oyens (1922 - 2013) moet zijn geweest, Hans’ opvolger als directeur van het Hilversums Muzieklyceum, die van 1943 tot 1948 orgel speelde bij de Hilversumse cantateuitvoeringen (en daarvan notities maakte die mij zeer hielpen bij mijn poging Hans’ cantateagenda te reconstrueren); dus keek ik extra oplettend naar het te saneren materiaal van cantate 196, de ‘kleine huwelijkscantate’ die in augustus 1945 werd uitgevoerd bij het huwelijk van Hans met Rie Kriebel (Maria) en toen bij uitzondering door De Marez Oyens werd geleid, en inderdaad was de continuouitwerking van de schrijver met de “K”. (Vergelijk hun handschriften in afb. 11.)


Met speciale interesse keek ik ook naar het materiaal van die andere, de ‘grote huwelijkscantate’ (BWV 195) die wij, geheel of gedeeltelijk, in de jaren ‘50 zo veelvuldig uitvoerden bij huwelijken van USKO-honorairen; inderdaad: veel gebruikt maar later zelden uitgeleend materiaal. Van het tweede deel ervan was Bachs muziek verloren gegaan maar Hans componeerde zelf het recitatief Hochedles Paar!, dat hij naar mij bleek (afb. 12) tenminste  driemaal uitschreef.


Zoals al duidelijk werd beperkte Hans’schrijfwerk zich niet tot Bach en zijn vocale werk. Er was ook vocaal werk van Sweelinck, Mozart, zoon C. P. E. Bach, concerti grossi van Händel, uitgebreid materiaal (70 altpartijen!) voor een Evening Service van Purcell, etc. Zoals steeds: van alles is één pagina bewaard. Enigszins tot mijn verbazing trof ik een vlekkeloze set partijen aan van Mozarts Symphonie Concertante voor viool en altviool KV 364, overduidelijk nooit gebruikt. Maar had het USKO dat stuk niet gespeeld op het Diesconcert van 28 maart 1957, met Ron Beek en Els Hondius als solisten, een door de pers bejubelde uitvoering “die het amateurisme verre ontsteeg”?     

3.000 pagina’s continuouitwerkingen, 5.000 pagina’s partituren gekopieerd, 12.000 pagina’s uitvoeringsmateriaal, samen 20.000 pagina’s;  maar Brandts Buys was ook nog directeur van het Muzieklyceum, dirigent van diverse koren, componist, auteur van drie dikke boeken, concerterend clavecinist ...