CHRISTOPH BIRKMANN

Pas sinds een publicatie uit 2015 van Christine Blanken (Bach Archiv Leipzig) in het internettijdschrift Understanding Bach kennen we de Neurenberger predikant Christoph Birkmann (1703 - 1771) als auteur van acht cantates die Bach tussen 20 oktober 1726 en 2 februari 1727 uitvoerde, achtereenvolgens de BWV-nummers 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58 en 82.
Birkmann studeerde van 1724 tot 1727 in Leipzig, hij zong en speelde daar onder Bachs leiding terwijl zijn studierichting gaandeweg verschoof van wiskunde, natuurwetenschap en muziek naar theologie. Al kort na zijn vertrek uit Leipzig (1728) publiceerde hij een bundel cantateteksten voor alle zondagen van het kerkelijk jaar, een 'jaargang', die hij had verzameld uit allerlei tekstbronnen waaronder Leipziger cantateuitvoeringen o.l.v. J.S.Bach; hij blijkt echter in deze bundel ook zelf een kundig tekstdichter en de auteur van de acht genoemde libretti van Bach.
Dat Birkmann de auteur van deze teksten moet zijn wordt - opmerkelijk genoeg - nog eens geïllustreerd door het feit dat hij als student natuurwetenschappen op 26 augustus 1726 een academisch referaat hield over driehoeksmeting en het gebruik van Jakobsstaf, de Kreuzstab die in BWV 56 als richtinggevend symbool fungeerde, op 27 oktober 1726, nauwelijks twee maanden na het referaat!Een gemeenschappelijk kenmerk van deze cantates is dat ze vrijwel steeds zijn geschreven voor één of meer solisten, enkele volgen het dialoog-model en er is eventueel een slotkoraal maar nauwelijks koorwerk. Dat hangt samen met het karakter van hun teksten waarvan al eerder werd vermoed dat ze van de hand van eenzelfde auteur waren; die hebben een bij Bach ongewoon piëtistisch karakter, de zanger bespreekt veeleer de geloofservaringen en zieleroerselen van een Ich-figuur dan dat h/zij orthodox lutherse theologische inzichten wil overdragen. Birkmanns teksten kregen in Leipzig wellicht hun kans dankzij een creatieve impasse van Bach, getuige het feit dat deze in het voorjaar 1726 maar liefst achttien cantates uitvoerde van zijn Meininger achterneef Johann Ludwig. Misschien ook wilde Bach compositorisch nieuwe wegen verkennen; hierop wijst het feit dat hij, die zijn vocale kerkmuziek meestal aanduidt als motetto of concerto, BWV 56 voorziet van het uitzonderlijke opschrift Cantata a Voce Sola e Stromenti, omdat hij hier het dichtst in de buurt komt van het Italiaanse cantatemodel, dat slechts recitatieven en aria's op vrije teksten bevat.